TUNARI CHAMPIONS 2011
Na een maandje Oruro hadden De Mowsies zo ongeveer elke vermeldenswaardige berg in en rond de stad met hun komst gezegend. Na de Jesus- en de Antenne-berg, moest ondertussen ook de Mast-berg er aan geloven… De drang naar meer en hoger was niet langer te houden. Godzijdank was daar – in het nabijgelegen Cochabamba – de Tunari-berg, met zijn 5025 m de hoogste van Centraal Bolivia! Beter konden we het niet treffen, want op zaterdag 26 november 2011 werd er op die Tunari een wedstrijdje berglopen georganiseerd. Dus daar gingen we, zelfverzekerd – enkele minuten na de groep van de Amateurs en vóór de Deportistas – in de groep van de Parejas (Ned.: Koppels). De start langs de Laguna Macho op 4200 m was vlak en dus vlot. Een stevige tred bezorgde ons een half uur lang een virtuele bronzen medaille en bracht ons snel tot bij de eerste lama. Maar na een eerste flinke klim was het snel duidelijk dat de Belgas nog steeds niet aangepast zijn aan een leven ergens ver boven het zeeniveau. Het uitzicht was zo adembenemend (soms net dat tikkeltje té letterlijk), dat een overwinning ons kon gestolen worden. Een kiekje hier, een kiekje daar, kwestie van ’t thuisfront voldoende jaloers te krijgen… De Cochabambinos waren gemoedelijk én bemoedigend. De sfeer was goed. Uitstekend zelf. Vamos! Dat er meerdere routes naar de top waren, deed ons voor de steilste kiezen. Bigger, better, harder. De laatste verticale 200 meter waren hels, doch heerlijk (achteraf). De losliggende stenen zorgden ervoor dat niet elke stap voorwaarts even productief was... Des te bevrijdender was het 360° uitzicht op de top!
Muchísimas gracias, Pachamama! Nos vemos!
DE STRIJD OM EEN VISUM
We moeten dit opschrijven. En we moeten dit van ons afschrijven. We schrijven dit voor al diegenen die er ooit aan denken om een jaar naar het buitenland te vertrekken, en we schrijven dit voor onszelf. Om dit binnen pakweg 37 jaar opnieuw te lezen en ons nog levendig te herinneren wat voor een hel dit was.
U bent aldus gewaarschuwd. Dit kan saaie lectuur worden, maar doe ons een plezier, worstel je erdoor, en leef even met ons mee. Zoniet zal het ons deugd hebben gedaan om het alsnog op te schrijven.
Het begint in België, een dikke twee maand geleden. Het begint met een bezoek aan de flikken van Gent voor een bewijs van goed gedrag en zeden, met een bezoek of twee aan de officiële vertaalster die je 25 euro aanrekent, met twee ticketjes heen en terug naar Brussel om een bezoek te brengen aan het ministerie van Buitenlandse Zaken, aan de rechtbank en aan het consulaat die je samen meer dan 100 euro afhandig maken. Elk document dat je bemachtigt moet ook in België door de rechtbank gevalideerd worden. Ook de handtekening van de vertaalster verdient een stempeltje van de rechtbank in Gent. Maar de roes van te mogen vertrekken verzacht de moeite en doet de administratieve rompslomp vergeten. Want je hebt je ‘objeto determinado’ in handen. Een vrijgeleide om een maand in Bolivië te mogen verblijven. Een MAAND! Dat is lang. Meer dan lang genoeg om alles hier af te handelen, denk je dan.
Maar dan begin je stillaan te merken dat de heer Van Quickenborne – is dat nog de man met de mooie titel van ‘minister van vereenvoudiging’ of zoiets? – goed werk levert. Mi(ni)ster Twitter is onze held! Want hier maak je al snel kennis met hoe het niet vereenvoudigd kan.
Meld je aan bij ‘Migración’. Dat wordt je aangeraden. Dat is stap één. En hier krijg je je eerste velletje papier van 10 op 3 aangeboden. Een klein niemedalletje van hetwelke ze voor het zekerste een honderdtal kopietjes in hun schuif hebben zitten voor die 10 buitenlanders per jaar die er aan denken om meer dan drie dagen in Oruro te blijven (zonder een oordeel te willen vellen over deze stad die veel mooier is dan we dachten!). Op het velletje een aantal streepjes gevolgd door wat je zal nodig hebben om hier het komende jaar te mogen verbijven. Kopies van het pasport – we nemen er voor het zekerste al vijf - , en zo meer… . Een eerder kort lijstje denken we positief ingesteld. Het eerste wat ons opvalt en waar we meteen werk van maken : de aidstest.
Die aidstest kan op één plaats in een stad van bijna 300.000 inwoners. Ergens in de buitenwijk in het noorden van de stad. Dat je daar éénmaal voor niets staat omdat deze dienst enkel in de voormiddag werkt brengt je niet van je stuk. Dan ga je gewoon de volgende dag terug. Ze hadden ons hiervoor gewaarschuwd. De volgende dag zit je al op die stoel bij de verpleegster die – al een geluk – braafjes haar plastieken wantjes aantrekt en een spuitje uit een plastiekje haalt dat duidelijk nog nooit is geopend. Vertrouwen. Mijn ader staat ferm dik. Nog meer vertrouwen. Het bloed stroomt. Bij mij. Niet bij Evelyne. ‘Delgadas’ ofte dunne adertjes is de commentaar. Maar een prik in de duim lost dat probleem op. Honderd procent zeker dat ze geen aids heeft is Evelyne niet. Soit. Het certificaat mag de volgende dag worden opgehaald. Mocht de hoofdarts die dag aanwezig zijn. Maar dat is hij niet. De volgende dag dan maar zeker. Oh, en die handtekening van die hoofdarts moet wel nog eens geverificieerd worden door een officiële instantie aan de andere kant van de Stad. Het zij zo. Als het dat maar is. Tsjakka! Het papier is binnen. We voelen ons winnaars!
Proxima parada : Interpol. Interpol? Is dat geen hippe Amerikaanse instantie waar mannen met dassen semi-undercover achter de grootste internationale bandieten aanhollen? Ik dacht het niet. Hier in Bolivië is dat een instantie waar de in kaki-getooide senioren hun dagen vullen met het spelen van patience. Daar sta je dan in het deurgat van hun bureau met een hoopje documenten dat aan de hand van hún velletje papier van 10 op 3 nauwkeurig hebt verzameld. Gaande van opnieuw vijf extra kopies van je pasport, tot een huurcontract dat ondertekend is door een Boliviaanse advocate, een bewijs van je financiële solvabiliteit ondertekend door een notaris (en dat moet je eens proberen, om hier in het land waar de bus 10 cent kost niet financieel solvabel te zijn), en enkele kopies van het huurcontract en de laatste facturen van het licht en de elektriek van je tijdelijke woonst. Oh, en vergeet de kopies van de pasporten van je twee getuigen niet die officieel verklaren dat ze je na twee weken dusdanig kennen dat ze zeker zijn dat jij geen terrorist bent. Daar sta je dan in dat deurgat. Je kucht even. En de man die geconcentreert patience zit te spelen kijkt heel even op van zijn spannende spel, denkt hoogstwaarschijnlijk wel iets, en wijdt zich dan rustig verder aan de digitale kaarten. Tot zijn collega je dossier neemt, vraagt om toch nog enkele kopies te gaan nemen van God-weet-wat in het nabijgelegen kopie-shopje (elke zichzelf respecterende particulier laat hier in Bolivië trouwens zijn voordeur openstaan en heeft een kopiemasjien staan waar je voor een eurocent of twee de nodige kopies kan maken). Het vergt daarop enige assertiviteit om na afkeuring van het nochtans volledige dossier de commandant te willen spreken, maar zo zijn we. Assertief. En het loont de moeite, want de commandant stuurt zijn onderdaan met ons op pad om te verifëren dat we weldegelijk in Oruro wonen. De onderdaan zet zijn klak van Interpol op en vervoegt ons in het zonnetje waarna hij doodleuk de volgende vraag stelt : “Como vamos?”. Ik sta even verstelt. Hoe gaan we naar ons huis? Heb jij geen auto? Ik stel dus niets vermoedend de minibus voor waarmee we zijn gekomen. Met een misprijzende blik schudt hij zijn hoofd en prevelt het woord ‘taxi’. De man ziet Holly, onze vijfjarige huisgenote in mijn armen vliegen, ziet dat het goed is, en vult de nodige formulieren in, waarna hij zijn hand uitsteekt om de 10 bolivianos te ontvangen voor de terugrit per – uiteraard – taxi. Soit, en Tsjakka! De volgende dag mogen we ons Boliviaans bewijs van Goed Gedrag en Zeden gaan halen. De Boliviaanse administratie is best grappig. Buiten de kleine irritaties om genieten we bijna van deze klucht.
Tot het de beurt is aan FELCC. De ‘Fuerza Especial de Lucha Contra el Crimen’. Alsof Interpol nog niet genoeg was hebben ze hier ook de plaatselijke FBI! Ik ga proberen om hier niet te diep op in te gaan, want jullie hebben er waarschijnlijk weinig aan, en voor mezelf moet ik het niet opschrijven want ik ben er zo zeker van als mijn achternaam dat ik mij deze organisatie nog heel mijn leven zal herinneren. Wat een hoopje ongeregeld gespuis. Wat een hoopje ‘bijeengecaste’ incompetente arrogantie.
Zoals de majoor die 's ochtends, 's middags en 's avonds zijn troepen bijeenroept op de binnenkoer voor de formatie. Een heerlijk machtsvertoon waarbij zowel de onderluitenant zijn bureau als de klusjesman zijn wc-potten even moet verlaten om elk in zijn uniform zijn naam te roepen als bevestiging dat hij nog steeds nuchter is. Een ritueel dat wordt afgesloten door meneer de majoor die een kreet slaakt waarna iedereen z’n hiel op de grond laat vallen, iets terugskandeert en met een vlotte draai van negentig graden zijn plaats verlaat. De arrogante majoor glundert.
Eén iemand is niet arrogant. De iets meer dan half blinde kantoorbediende die hoogstwaarschijnlijk enkel nog zijn functie bekleedt omdat het enorm zielig zou zijn om de man te ontslaan. Even had ik het nog op hem gemunt. Tot ik hem z’n krant zag nemen en deze op welgeteld 53 millimeter van z’n half gesloten ogen van links naar rechts zag bewegen. Ik veronderstel dat hij las. Uitgerekend die man werd aangesteld om nog eens te verifiëren dat wij weldegelijk waren ingetrokken op de Avenida Avaroa nummer 918. Hem betaal ik met plezier de taxi. Hem vertel ik met plezier dat ons huis oranje is ook al staat hij er zelf op te kijken. Hem laat ik met plezier weten dat we zeven ramen hebben en voor hem noteer ik met evenveel plezier zijn naam op onze formulieren omdat hij ons terecht laat weten dat wij misschien sneller noteren dan hijzelf.
Man, UREN, DAGEN, heb ik doorgebracht in het nochtans rustieke gebouw an FELCC aan de Plaza 10 de febrero. De meesten van jullie die dit lezen kennen mij hoogstwaarschijnlijk als een nogal aimabel persoon die met nogal wat karakters overweg kan en niet heeeeeeel snel zijn geduld verliest. En ik hoop dat nog te zijn, maar ik ben getest. Tot het uiterste. Slechts enkelen van jullie kennen mij misschien ook als arrogant wanneer tot het uiterste gedreven (nietwaar Dioniss-vrienden? Denk aan Alain maar in het kwadraat ;-) ), maar het staat vast. Ik kan ook een arrogante klootzak zijn. Op mijn toppunt van arrogantie, op de moment dat ik voor de 27ste keer werd teruggeroepen naar deze instantie, en ze me wisten te vertellen dat we toch nog de derde getuige nodig hadden die net als de andere twee persoonlijk naar dit kantoor moest komen, en die nochtans niet op hún velletje van 10 op 3 stond vermeld. Op het moment dat ik opnieuw stond te wachten in het lokaaltje waar het stinkt naar – vergeef het hen – het zweet van de lokale bevolking die daar ook maar redelijk voor snot zit. Op die moment is het mij even te veel geworden, en heb ik na 4 uur wachten en van Pier naar Pol ofte van Jose naar Gilberto gestuurd te worden, gevraagd of de jongens ook lunch aanboden, waarna ik mij neergeploft heb in de zetel van het secretariaat, ongevraagd de krant ter hand heb genomen en heb gemeld dat ik net als hen precies al de tijd van de wereld bezat. Maar ook FELCC sluit op een bepaald moment, en het is pas vandaag, enkele dagen na mijn piekende arrogantie dat we vandaag in het kantoor van de kolonel werden ontboden die na een staaltje nog indrukwekkendere arrogantie toch moest plooien voor ons dreigement om langs te gaan bij de ombudsman, en na zijn onderdaan onder zijn voeten te hebben gegeven, onze laatste documenten voorzag van zijn handtekening en een laatste stempel of vijf.
En hier zit ik dan. In Bar Huari, genoemd naar het lekkerste bier dat ze hier verkopen. Het oudste café van Oruro. Voor mij één fles van 660ml Huari. Ik geniet van een uitzondering op de regel, want normaal verkopen ze die enkel per twee. Maar dit zat zo diep dat ik slechts de tijd van één fles nodig had om dit aan een duizelingwekkend tempo neer te typen. Maar ik ben hier legaal. Morgen mogen we ons pasport met de stempel voor een jaar verblijf in Bolivië officieel afhalen. Met dank aan ons voorgangers Hanne en Thomas die ons echt uit de grond van hun hart hebben geholpen met deze rompslomp, en met dank aan de heel lieve dame van Migración die hier te weinig wordt vermeld omdat zij zowat de enige behulpzame kracht bleek te zijn in deze hel en dus niet echt past in dit klagende plaatje.
Maar dat is nog net niet de laatste stap.
De laatste stap is de ‘defensor del pueblo’. De ombudsman krijgt nog een bezoekje van ons. Gewoon, voor onzelf, maar hopelijk, wie weet, met weinig kans, ook voor de volgende extranjeros die besluiten dat ze hier langer dan drie dagen willen verblijven.
Suerte! Y que os vaya bien! Nosotros vamos a disfrutar de nuestro tiempo aqui. Y ya hemos olvidado esta tontería de papelería!
Salud!
Na een maandje Oruro hadden De Mowsies zo ongeveer elke vermeldenswaardige berg in en rond de stad met hun komst gezegend. Na de Jesus- en de Antenne-berg, moest ondertussen ook de Mast-berg er aan geloven… De drang naar meer en hoger was niet langer te houden. Godzijdank was daar – in het nabijgelegen Cochabamba – de Tunari-berg, met zijn 5025 m de hoogste van Centraal Bolivia! Beter konden we het niet treffen, want op zaterdag 26 november 2011 werd er op die Tunari een wedstrijdje berglopen georganiseerd. Dus daar gingen we, zelfverzekerd – enkele minuten na de groep van de Amateurs en vóór de Deportistas – in de groep van de Parejas (Ned.: Koppels). De start langs de Laguna Macho op 4200 m was vlak en dus vlot. Een stevige tred bezorgde ons een half uur lang een virtuele bronzen medaille en bracht ons snel tot bij de eerste lama. Maar na een eerste flinke klim was het snel duidelijk dat de Belgas nog steeds niet aangepast zijn aan een leven ergens ver boven het zeeniveau. Het uitzicht was zo adembenemend (soms net dat tikkeltje té letterlijk), dat een overwinning ons kon gestolen worden. Een kiekje hier, een kiekje daar, kwestie van ’t thuisfront voldoende jaloers te krijgen… De Cochabambinos waren gemoedelijk én bemoedigend. De sfeer was goed. Uitstekend zelf. Vamos! Dat er meerdere routes naar de top waren, deed ons voor de steilste kiezen. Bigger, better, harder. De laatste verticale 200 meter waren hels, doch heerlijk (achteraf). De losliggende stenen zorgden ervoor dat niet elke stap voorwaarts even productief was... Des te bevrijdender was het 360° uitzicht op de top!
Muchísimas gracias, Pachamama! Nos vemos!
DE STRIJD OM EEN VISUM
We moeten dit opschrijven. En we moeten dit van ons afschrijven. We schrijven dit voor al diegenen die er ooit aan denken om een jaar naar het buitenland te vertrekken, en we schrijven dit voor onszelf. Om dit binnen pakweg 37 jaar opnieuw te lezen en ons nog levendig te herinneren wat voor een hel dit was.
U bent aldus gewaarschuwd. Dit kan saaie lectuur worden, maar doe ons een plezier, worstel je erdoor, en leef even met ons mee. Zoniet zal het ons deugd hebben gedaan om het alsnog op te schrijven.
Het begint in België, een dikke twee maand geleden. Het begint met een bezoek aan de flikken van Gent voor een bewijs van goed gedrag en zeden, met een bezoek of twee aan de officiële vertaalster die je 25 euro aanrekent, met twee ticketjes heen en terug naar Brussel om een bezoek te brengen aan het ministerie van Buitenlandse Zaken, aan de rechtbank en aan het consulaat die je samen meer dan 100 euro afhandig maken. Elk document dat je bemachtigt moet ook in België door de rechtbank gevalideerd worden. Ook de handtekening van de vertaalster verdient een stempeltje van de rechtbank in Gent. Maar de roes van te mogen vertrekken verzacht de moeite en doet de administratieve rompslomp vergeten. Want je hebt je ‘objeto determinado’ in handen. Een vrijgeleide om een maand in Bolivië te mogen verblijven. Een MAAND! Dat is lang. Meer dan lang genoeg om alles hier af te handelen, denk je dan.
Maar dan begin je stillaan te merken dat de heer Van Quickenborne – is dat nog de man met de mooie titel van ‘minister van vereenvoudiging’ of zoiets? – goed werk levert. Mi(ni)ster Twitter is onze held! Want hier maak je al snel kennis met hoe het niet vereenvoudigd kan.
Meld je aan bij ‘Migración’. Dat wordt je aangeraden. Dat is stap één. En hier krijg je je eerste velletje papier van 10 op 3 aangeboden. Een klein niemedalletje van hetwelke ze voor het zekerste een honderdtal kopietjes in hun schuif hebben zitten voor die 10 buitenlanders per jaar die er aan denken om meer dan drie dagen in Oruro te blijven (zonder een oordeel te willen vellen over deze stad die veel mooier is dan we dachten!). Op het velletje een aantal streepjes gevolgd door wat je zal nodig hebben om hier het komende jaar te mogen verbijven. Kopies van het pasport – we nemen er voor het zekerste al vijf - , en zo meer… . Een eerder kort lijstje denken we positief ingesteld. Het eerste wat ons opvalt en waar we meteen werk van maken : de aidstest.
Die aidstest kan op één plaats in een stad van bijna 300.000 inwoners. Ergens in de buitenwijk in het noorden van de stad. Dat je daar éénmaal voor niets staat omdat deze dienst enkel in de voormiddag werkt brengt je niet van je stuk. Dan ga je gewoon de volgende dag terug. Ze hadden ons hiervoor gewaarschuwd. De volgende dag zit je al op die stoel bij de verpleegster die – al een geluk – braafjes haar plastieken wantjes aantrekt en een spuitje uit een plastiekje haalt dat duidelijk nog nooit is geopend. Vertrouwen. Mijn ader staat ferm dik. Nog meer vertrouwen. Het bloed stroomt. Bij mij. Niet bij Evelyne. ‘Delgadas’ ofte dunne adertjes is de commentaar. Maar een prik in de duim lost dat probleem op. Honderd procent zeker dat ze geen aids heeft is Evelyne niet. Soit. Het certificaat mag de volgende dag worden opgehaald. Mocht de hoofdarts die dag aanwezig zijn. Maar dat is hij niet. De volgende dag dan maar zeker. Oh, en die handtekening van die hoofdarts moet wel nog eens geverificieerd worden door een officiële instantie aan de andere kant van de Stad. Het zij zo. Als het dat maar is. Tsjakka! Het papier is binnen. We voelen ons winnaars!
Proxima parada : Interpol. Interpol? Is dat geen hippe Amerikaanse instantie waar mannen met dassen semi-undercover achter de grootste internationale bandieten aanhollen? Ik dacht het niet. Hier in Bolivië is dat een instantie waar de in kaki-getooide senioren hun dagen vullen met het spelen van patience. Daar sta je dan in het deurgat van hun bureau met een hoopje documenten dat aan de hand van hún velletje papier van 10 op 3 nauwkeurig hebt verzameld. Gaande van opnieuw vijf extra kopies van je pasport, tot een huurcontract dat ondertekend is door een Boliviaanse advocate, een bewijs van je financiële solvabiliteit ondertekend door een notaris (en dat moet je eens proberen, om hier in het land waar de bus 10 cent kost niet financieel solvabel te zijn), en enkele kopies van het huurcontract en de laatste facturen van het licht en de elektriek van je tijdelijke woonst. Oh, en vergeet de kopies van de pasporten van je twee getuigen niet die officieel verklaren dat ze je na twee weken dusdanig kennen dat ze zeker zijn dat jij geen terrorist bent. Daar sta je dan in dat deurgat. Je kucht even. En de man die geconcentreert patience zit te spelen kijkt heel even op van zijn spannende spel, denkt hoogstwaarschijnlijk wel iets, en wijdt zich dan rustig verder aan de digitale kaarten. Tot zijn collega je dossier neemt, vraagt om toch nog enkele kopies te gaan nemen van God-weet-wat in het nabijgelegen kopie-shopje (elke zichzelf respecterende particulier laat hier in Bolivië trouwens zijn voordeur openstaan en heeft een kopiemasjien staan waar je voor een eurocent of twee de nodige kopies kan maken). Het vergt daarop enige assertiviteit om na afkeuring van het nochtans volledige dossier de commandant te willen spreken, maar zo zijn we. Assertief. En het loont de moeite, want de commandant stuurt zijn onderdaan met ons op pad om te verifëren dat we weldegelijk in Oruro wonen. De onderdaan zet zijn klak van Interpol op en vervoegt ons in het zonnetje waarna hij doodleuk de volgende vraag stelt : “Como vamos?”. Ik sta even verstelt. Hoe gaan we naar ons huis? Heb jij geen auto? Ik stel dus niets vermoedend de minibus voor waarmee we zijn gekomen. Met een misprijzende blik schudt hij zijn hoofd en prevelt het woord ‘taxi’. De man ziet Holly, onze vijfjarige huisgenote in mijn armen vliegen, ziet dat het goed is, en vult de nodige formulieren in, waarna hij zijn hand uitsteekt om de 10 bolivianos te ontvangen voor de terugrit per – uiteraard – taxi. Soit, en Tsjakka! De volgende dag mogen we ons Boliviaans bewijs van Goed Gedrag en Zeden gaan halen. De Boliviaanse administratie is best grappig. Buiten de kleine irritaties om genieten we bijna van deze klucht.
Tot het de beurt is aan FELCC. De ‘Fuerza Especial de Lucha Contra el Crimen’. Alsof Interpol nog niet genoeg was hebben ze hier ook de plaatselijke FBI! Ik ga proberen om hier niet te diep op in te gaan, want jullie hebben er waarschijnlijk weinig aan, en voor mezelf moet ik het niet opschrijven want ik ben er zo zeker van als mijn achternaam dat ik mij deze organisatie nog heel mijn leven zal herinneren. Wat een hoopje ongeregeld gespuis. Wat een hoopje ‘bijeengecaste’ incompetente arrogantie.
Zoals de majoor die 's ochtends, 's middags en 's avonds zijn troepen bijeenroept op de binnenkoer voor de formatie. Een heerlijk machtsvertoon waarbij zowel de onderluitenant zijn bureau als de klusjesman zijn wc-potten even moet verlaten om elk in zijn uniform zijn naam te roepen als bevestiging dat hij nog steeds nuchter is. Een ritueel dat wordt afgesloten door meneer de majoor die een kreet slaakt waarna iedereen z’n hiel op de grond laat vallen, iets terugskandeert en met een vlotte draai van negentig graden zijn plaats verlaat. De arrogante majoor glundert.
Eén iemand is niet arrogant. De iets meer dan half blinde kantoorbediende die hoogstwaarschijnlijk enkel nog zijn functie bekleedt omdat het enorm zielig zou zijn om de man te ontslaan. Even had ik het nog op hem gemunt. Tot ik hem z’n krant zag nemen en deze op welgeteld 53 millimeter van z’n half gesloten ogen van links naar rechts zag bewegen. Ik veronderstel dat hij las. Uitgerekend die man werd aangesteld om nog eens te verifiëren dat wij weldegelijk waren ingetrokken op de Avenida Avaroa nummer 918. Hem betaal ik met plezier de taxi. Hem vertel ik met plezier dat ons huis oranje is ook al staat hij er zelf op te kijken. Hem laat ik met plezier weten dat we zeven ramen hebben en voor hem noteer ik met evenveel plezier zijn naam op onze formulieren omdat hij ons terecht laat weten dat wij misschien sneller noteren dan hijzelf.
Man, UREN, DAGEN, heb ik doorgebracht in het nochtans rustieke gebouw an FELCC aan de Plaza 10 de febrero. De meesten van jullie die dit lezen kennen mij hoogstwaarschijnlijk als een nogal aimabel persoon die met nogal wat karakters overweg kan en niet heeeeeeel snel zijn geduld verliest. En ik hoop dat nog te zijn, maar ik ben getest. Tot het uiterste. Slechts enkelen van jullie kennen mij misschien ook als arrogant wanneer tot het uiterste gedreven (nietwaar Dioniss-vrienden? Denk aan Alain maar in het kwadraat ;-) ), maar het staat vast. Ik kan ook een arrogante klootzak zijn. Op mijn toppunt van arrogantie, op de moment dat ik voor de 27ste keer werd teruggeroepen naar deze instantie, en ze me wisten te vertellen dat we toch nog de derde getuige nodig hadden die net als de andere twee persoonlijk naar dit kantoor moest komen, en die nochtans niet op hún velletje van 10 op 3 stond vermeld. Op het moment dat ik opnieuw stond te wachten in het lokaaltje waar het stinkt naar – vergeef het hen – het zweet van de lokale bevolking die daar ook maar redelijk voor snot zit. Op die moment is het mij even te veel geworden, en heb ik na 4 uur wachten en van Pier naar Pol ofte van Jose naar Gilberto gestuurd te worden, gevraagd of de jongens ook lunch aanboden, waarna ik mij neergeploft heb in de zetel van het secretariaat, ongevraagd de krant ter hand heb genomen en heb gemeld dat ik net als hen precies al de tijd van de wereld bezat. Maar ook FELCC sluit op een bepaald moment, en het is pas vandaag, enkele dagen na mijn piekende arrogantie dat we vandaag in het kantoor van de kolonel werden ontboden die na een staaltje nog indrukwekkendere arrogantie toch moest plooien voor ons dreigement om langs te gaan bij de ombudsman, en na zijn onderdaan onder zijn voeten te hebben gegeven, onze laatste documenten voorzag van zijn handtekening en een laatste stempel of vijf.
En hier zit ik dan. In Bar Huari, genoemd naar het lekkerste bier dat ze hier verkopen. Het oudste café van Oruro. Voor mij één fles van 660ml Huari. Ik geniet van een uitzondering op de regel, want normaal verkopen ze die enkel per twee. Maar dit zat zo diep dat ik slechts de tijd van één fles nodig had om dit aan een duizelingwekkend tempo neer te typen. Maar ik ben hier legaal. Morgen mogen we ons pasport met de stempel voor een jaar verblijf in Bolivië officieel afhalen. Met dank aan ons voorgangers Hanne en Thomas die ons echt uit de grond van hun hart hebben geholpen met deze rompslomp, en met dank aan de heel lieve dame van Migración die hier te weinig wordt vermeld omdat zij zowat de enige behulpzame kracht bleek te zijn in deze hel en dus niet echt past in dit klagende plaatje.
Maar dat is nog net niet de laatste stap.
De laatste stap is de ‘defensor del pueblo’. De ombudsman krijgt nog een bezoekje van ons. Gewoon, voor onzelf, maar hopelijk, wie weet, met weinig kans, ook voor de volgende extranjeros die besluiten dat ze hier langer dan drie dagen willen verblijven.
Suerte! Y que os vaya bien! Nosotros vamos a disfrutar de nuestro tiempo aqui. Y ya hemos olvidado esta tontería de papelería!
Salud!
Frankrijk is een administratief paradijs denk ik dan ;). Hoewel ik toch ook goed in het frans heb leren vloeken door de administratieve rompslomp, de gesloten deuren (middagpauze, staking, afwezigheid van de nodige persoon,...). Maar ik kan écht niet op tegen jullie straffe story!
BeantwoordenVerwijderenals het een troost mag zijn: het zou er stilaan op moeten zitten: méér tijd om de bergen te verkennen! stoer trouwens, van die berg-loop-wedstrijd!
waarom klinkt dit relaas toch zo vreselijk vertrouwd?! echt waar, deze keer geen visum, ik ben bereid alle kneepjes van de illegaliteit te leren! en Tunari, daar hebben jullie me toch afgetroefd, ik ben nog niet eens in de buurt geraakt :(
BeantwoordenVerwijderenhey Mathias en Evelyne,
BeantwoordenVerwijderenHier één van de drie belgische 'dames' waarmee jullie bij aankomst in Oruro pizza zijn gaan eten. Ik kreeg jullie link van Caroline en ben trouwe volger.
Het is fijn dat ik er mij er een voorstelling bij kan maken wanneer je zaken over Oruro, CEPA of de mijnen schrijft (je hebt trouwens een echte reporters-pen, met het nodige tikkeltje humor).
En natuurlijk is er dat heimwee-gevoel, voor ons was het daar maar een kort verblijf, maar Oruro zit in ons hart.
Super dat jullie deze kans krijgen, nodeloos te zeggen dat je moet genieten, want dat doen jullie duidelijk.
Vele groetjes van Ingrid en geef Gilberto een dikke knuffel van me !