Alles op zijn kop wanneer je aan
de andere kant van de evenaar woont. De koudste en langste nacht van het jaar
op 21 juni. En nieuwjaar vieren in diezelfde nacht. Niet om middernacht, maar ergens om zes uur ’s
morgens. Niet dat ze in Bolivië geen nieuwjaar vieren op 1 januari. Uiteraard
wel. In putje zomer dan. Maar elk jaar op 21 juni vieren heel wat mensen uit de
regio hier ‘Andino-nieuwjaar’. Een fantastisch feest ter ere van ‘het hernieuwde
leven’.
Matías y Ebelina en Bolivia
Amigo mío!
Bienvenido amigo mío! Welkom op onze eigenste blogspot. Via deze weg willen we nieuwsgierigen hun honger stillen, 't thuisfront geruststellen en de mijnbouwproblematiek in Oruro (Bolivia) een stem geven...
En wij horen ook graag van jullie, dus reageer gerust op onze berichtjes!
En wij horen ook graag van jullie, dus reageer gerust op onze berichtjes!
maandag 2 juli 2012
maandag 11 juni 2012
Parque Nacional Amboró
Parque Nacional Amboró (nabij Santa Cruz)
Santa Cruz... ‘t Is ondertussen veel te lang geleden. De
zwoele winden van den Oriente zijn
voorgoed uit onze haren gewapperd. In Oruro kruipt de koude met de dag meer in
onze kleren. Maar de bevroren waterleidingen blijven (voorlopig) uit. We hebben
ons ondertussen allerlei thermische broekjes en truitjes aangeschafd. En sinds
een week of twee slapen we met een échte pyama aan. Ons gaan ze niet liggen
hebben.
Den Oriente dus...
Omdat Don Matías zijn verjaardag in stijl zou gevierd worden, besloten we een
nieuw stukje Bolivia te ontdekken. Het was nooit echt onze droom geweest Santa
Cruz – hét handelscentrum en transportknooppunt van het land – te zien, maar
daarom waren we wellicht danig aangenaam verrast. We zagen meer palmbomen dan
wolkenkrabbers, we sliepen in bescheiden backpackers bedjes en hoefden dus geen
fortuin te besteden, en we kozen voor een typisch boliviaans verjaardagsmaal en
waanden ons dus (even) níet tussen de Japanse, Duitse, Italiaanse, Oost-Europese,
Arabische, Indische Sikh en Duits-Canadese mennonieten gemeenschappen.
Maar we waren dus niet 24 uur op een bus gekropen om een metropool te zien. Ons doel was het Parque Nacional Amboró. Een park bijna zo groot als België’s grootste provincie Luxemburg, maar dan nog net iets ‘heuvelachtiger’ dan dat we van ons Valonia gewend zijn, namelijk van 3300 meter boven zeeniveau in het zuiden tot slechts 300 meter in het noorden. En het was vanuit Buena Vista in het noorden dat we het park in stijl binnendrongen. Misschien niet op de meest ecologische manier – de paarden waren namelijk op stal gebleven – maar dan toch alleszins in the most adventorous way... En dat ging zo: beide Mowsies met hun trekzak van gemakkelijk 20 kg waarin allerlei extreem nutteloze zaken meegesleurd werden voor iemand die de jungle intrekt, achterop een crossmoto aan 70 km per uur (zo leek het althans) door los liggend zand en riviertjes, over los grind en over kasseien zo groot als Jean-Luc zijn hoofd (geen gewone ‘kinderkopkes’ dus). De afwezigheid van een helm, mijn gladde slippers en weinig bedekkend topje, bezorgden mij een struisvogelei in de broek en de schrik van mijn leven toen bleek dat de Grote Rivier die we over moesten ook per moto zou gebeuren. Het was absoluut niet geruststellend dat mijn laptop (om te kunnen werken in Santa Cruz) daar ergens op mijn rug hing te schudden en we dus Dios, Por Favor! niet mochten vallen. Onze chauffeurs waren echter zo jong dat ze van die generatie waren dat de moto – en niet het paard – hen had grootgebracht. Op dezelfde trip in het terugkeren 3 dagen later was ik dan ook stiekem jaloers op Mathias die vanachter bij een puber mocht, terwijl ik bij een beginnende grijsaard plaatsnam.
Parque Nacional Amboró kom je niet binnen zonder gids, dus via een super schoon gemeenschapsproject kwamen we terecht in een prachtige eco-lodge voor een belachelijk laag prijsje. De nacht vloog al spinnend voorbij onder onze hemelbedjes en ’s morgens voelden we ons dan ook helemaal klaar om met Guía Esteban voor twee dagen de jungle in te trekken. In tegenstellig tot de laatste toeristen in de lodge laten wij de hangmatten toch maar voor bekeken en wouden we echt álles gezien hebben. Het ging dus aan een stevig tempo van enkele miradores (uitkijktorens) naar grotten (met en zonder vleermuizen), feeërieke watervallen, ... in het spoor van de tijger(kat), het wilde varken, de miereneter en de talrijke morfo vlinders. ’s Avonds ruilen we onze hemelbedjes voor een deken in een grot ergens diep in de jungle. De volgende dag waden we terug door de rivier en worden we in de lodge wederom culinair verwend door één van de mamás van het dorp. ’s Namiddags haalt Evelyne haar canyon skills boven in enkele sprookjesachtige piscinas naturales en spotten we de loro paraquay, ofte de papegaai van Jommeke. ’s Nachts trekken we ‘r met Esteban voor een laatste keer op uit met de zaklampen. We willen en zullen het wilde varken aan het vreten gezien hebben. Maar na een dik uur muisstil zitten in de donker, geven we dan toch op. Desondanks verlaten we Amboró glimlachend, aangenaam kennis gemaakt te hebben met de mono martín en de mono araña (twee soorten apen) en oh zo veel meer fauna en flora.
Maar we waren dus niet 24 uur op een bus gekropen om een metropool te zien. Ons doel was het Parque Nacional Amboró. Een park bijna zo groot als België’s grootste provincie Luxemburg, maar dan nog net iets ‘heuvelachtiger’ dan dat we van ons Valonia gewend zijn, namelijk van 3300 meter boven zeeniveau in het zuiden tot slechts 300 meter in het noorden. En het was vanuit Buena Vista in het noorden dat we het park in stijl binnendrongen. Misschien niet op de meest ecologische manier – de paarden waren namelijk op stal gebleven – maar dan toch alleszins in the most adventorous way... En dat ging zo: beide Mowsies met hun trekzak van gemakkelijk 20 kg waarin allerlei extreem nutteloze zaken meegesleurd werden voor iemand die de jungle intrekt, achterop een crossmoto aan 70 km per uur (zo leek het althans) door los liggend zand en riviertjes, over los grind en over kasseien zo groot als Jean-Luc zijn hoofd (geen gewone ‘kinderkopkes’ dus). De afwezigheid van een helm, mijn gladde slippers en weinig bedekkend topje, bezorgden mij een struisvogelei in de broek en de schrik van mijn leven toen bleek dat de Grote Rivier die we over moesten ook per moto zou gebeuren. Het was absoluut niet geruststellend dat mijn laptop (om te kunnen werken in Santa Cruz) daar ergens op mijn rug hing te schudden en we dus Dios, Por Favor! niet mochten vallen. Onze chauffeurs waren echter zo jong dat ze van die generatie waren dat de moto – en niet het paard – hen had grootgebracht. Op dezelfde trip in het terugkeren 3 dagen later was ik dan ook stiekem jaloers op Mathias die vanachter bij een puber mocht, terwijl ik bij een beginnende grijsaard plaatsnam.
Parque Nacional Amboró kom je niet binnen zonder gids, dus via een super schoon gemeenschapsproject kwamen we terecht in een prachtige eco-lodge voor een belachelijk laag prijsje. De nacht vloog al spinnend voorbij onder onze hemelbedjes en ’s morgens voelden we ons dan ook helemaal klaar om met Guía Esteban voor twee dagen de jungle in te trekken. In tegenstellig tot de laatste toeristen in de lodge laten wij de hangmatten toch maar voor bekeken en wouden we echt álles gezien hebben. Het ging dus aan een stevig tempo van enkele miradores (uitkijktorens) naar grotten (met en zonder vleermuizen), feeërieke watervallen, ... in het spoor van de tijger(kat), het wilde varken, de miereneter en de talrijke morfo vlinders. ’s Avonds ruilen we onze hemelbedjes voor een deken in een grot ergens diep in de jungle. De volgende dag waden we terug door de rivier en worden we in de lodge wederom culinair verwend door één van de mamás van het dorp. ’s Namiddags haalt Evelyne haar canyon skills boven in enkele sprookjesachtige piscinas naturales en spotten we de loro paraquay, ofte de papegaai van Jommeke. ’s Nachts trekken we ‘r met Esteban voor een laatste keer op uit met de zaklampen. We willen en zullen het wilde varken aan het vreten gezien hebben. Maar na een dik uur muisstil zitten in de donker, geven we dan toch op. Desondanks verlaten we Amboró glimlachend, aangenaam kennis gemaakt te hebben met de mono martín en de mono araña (twee soorten apen) en oh zo veel meer fauna en flora.
Ondertussen in Oruro...
- Evelyne gaat naar El Mercado Kantuta en koopt haar een paar schoenen in de ‘rayon’ Ropa Americana – ofte de spullenhulp hoek – en merkt pas thuis dat ze haar met twee rechtervoeten opgescheept hebben. Daarop volgt een drie weken durende queeste naar de Madame van ’t bewuste kraam. Als ik niet de stad uit was, dan was Doña Wilma dat wel en zo volgde er een kat en muis spelletje met een Happy End waarbij de muis glimlachend ook de linkerschoen tevoorschijn toverde uit één van haar propvolle juttezakken.
- Mathias volgt zijn eerste avondles Charango, de plaatselijke variant van de
Ukelele, oorspronkelijk gemaakt van een quirquincho
(soort pantserdiertje) over wiens buikje 10 snaren werden gespannen. En dat
gedreven door Evelyne’s bemoedigende woorden “Oefening baart kunst”...
- Evelyne ziet in het destillatorenproject prototype 4.0 van de grond komen en haalt opgelucht adem omdat hij er écht goed uitziet. En zo dachten er ook de studenten burgelijk ingenieur over wanneer ze Complejo Solar een bezoekje brachten. Vergezeld van een kus en een pluim van hun Prof. Gualberto Gutiérrez.
- Mathias steekt de moto binnen voor een algemeen onderhoud waardoor we op de altiplano een weekendje Motorcycle Diaries achter de rug hebben. Oruro, te quiero mucho! Oruro, dat ‘k u graag zie verdomme!
DE FOTO's : Parque Amboró & Motorcycle Diaries Oruro :
https://picasaweb.google.com/114798723328886993582/ParqueNacionalAmboroMotorcycleDiariesOruro
- Evelyne ziet in het destillatorenproject prototype 4.0 van de grond komen en haalt opgelucht adem omdat hij er écht goed uitziet. En zo dachten er ook de studenten burgelijk ingenieur over wanneer ze Complejo Solar een bezoekje brachten. Vergezeld van een kus en een pluim van hun Prof. Gualberto Gutiérrez.
- Mathias steekt de moto binnen voor een algemeen onderhoud waardoor we op de altiplano een weekendje Motorcycle Diaries achter de rug hebben. Oruro, te quiero mucho! Oruro, dat ‘k u graag zie verdomme!
DE FOTO's : Parque Amboró & Motorcycle Diaries Oruro :
https://picasaweb.google.com/114798723328886993582/ParqueNacionalAmboroMotorcycleDiariesOruro
woensdag 2 mei 2012
Over lamavellekes, gezellige
onderonsjes, net niet aankomen, koekskes, Laeticia, Schwetsen wir ein rund en
warmwaterbronnen
Voorwoord : Mowsie had het me net voor ik op café vertrok om dit te
schrijven op het hart gedrukt : “Zie dat ge het binnen de twee A4’kes houdt.”
Niet dus. Maar ik hoop dat het u niet afschrikt. Ik heb alvast genoten van het
schrijven. Leze wie het leze wil.
Hace tiempo... . Het is een
tijdje geleden, dat beseffen we, en het is niet dat we de pretentie hebben om
te denken dat jullie zich al weken in jullie beddeke liggen af te vragen
wanneer er nog eens een blogske aankomt, maar dat het zo lang geleden is heeft
zijn redenen. Eerst en vooral moeten wij – in tegenstelling tot wat de op
facebook geposte foto’s soms doen vermoeden – tijdens de week ook echt hard
werken hier. En ten tweede hebben wij er – zoals de foto’s wel al deden
vermoeden – de laatste weekends hard van geprofiteerd. Aprovechar’en heet dat hier dan. Genieten van wat dit land te
bieden heeft. Genieten door te doen wat wij het liefst van al doen : ‘s vrijdags
proviant inslaan onder de vorm van koekskes, fruit en andere licht meesleurbare
geneugden, de rugzak vullen en de wilde natuur intrekken. En die is er hier
genoeg! Hieronder volgt een geschreven verslag van drie fantastische trekkings
in het mooiste land ter wereld. De foto’s hiernaast dienen als bewijs dat we
dat niet zeggen omdat we hier wonen.
Over lamavellekes, gezellige
onderonsjes, net niet aankomen, koekskes, Laeticia, Schwetsen wir ein rund en
warmwaterbronnen dus ... :
De Takesi Trek
Lene kennen we al de volle drie
minuten. Tijdens Carnaval gaven we haar en enkele vrienden onderdak. Maar veel
verder dan “als jullie eens naar El Alto willen komen laat het maar weten”
komen we dan niet. Het is maar een woord. En als we ze bellen zadelt ze ons
spontaan met drie andere trekkompanen op als ze het voorstel doet om ons met
hen samen aan de Takesi trek te wagen. Een tocht vanuit La Paz, over een kam
van 4700 meter richting de Yungas. Een subtropisch gebied dat 2700 meter lager
ligt.
Afspraak die zaterdagochtend om 5
uur om geen tijd te verliezen en snel terug aan het werk te kunnen zijn na het
weekend. Lene geeft ons onderdak in El Alto, en wij staan ‘en punto’ op de
afspraak. Enkel de Boliviaanse Marlene daagt ook op. Het wordt kwart na vijf.
Half zes. We wachten op een Duitser en een Boliviaan. Het feit dat de Boliviaan
eerst opduikt doet vermoeden dat de Duitser al betrekkelijk acostumbrado
(aangepast) is aan de Boliviaanse manier van leven. We moeten hem zelfs
letterlijk uit zijn bed gaan trekken. Gelukkig blijkt den Micha tan amable dat zijn foutje hem al snel
vergeven is.
Wat volgt is een fantastiche
trekking met een heerlijke groep mensen. Het stijgen van 3200 naar 4700 meter
doet wat het altijd met ons doet, zeker omdat we nog te veel gerief meezeulen.
Een potje ongemeend op de adem trappen, je eigen stappen tellen, per drie
stappen stijgen en even op adem komen, niet nadenken en gaan, jezelf
verplichten om bij elke adempauze even te genieten van waar je bent. In de
Andes. Een hooggebergte mooier dan wat je al mogen aanschouwen hebt in je
nochtans al lange leven. Laatste woorden die er misschien niet zouden staan
mocht ik donderdag geen 31 worden...
Maar dan is het dalen.
Aanvankelijk – de eerste dag van de trek – nog slechts miniem. Tot in een sprookjesdorp
waar we elk twee lamavelletjes als matrasje krijgen toegestopt, waar het
dwergenhuisje continu met rook gevuld is door de klei-oven, waar Llama (of lama
in het nederlands) Laeticia voor ons de wacht houdt, en van waaruit we de
Yungas nog niet kunnen zien door het wolkendek. Wilmer – omwille van de naam
raar genoeg een Boliviaan – is kok en schotelt ons in die klei-oven een
heerlijke pasta voor, waarna we al zoals het hoort bij een goede trekking al rond
negen uur tegen ons lamavelleke aanschurken.
De volgende dag is het echt
dalen. Van een dikke 4000 hoogtemeters naar de subtropen. Van de bergen naar
wilde orchideën en landschappen waarvan ik vermoedde dat je er de “sub-“ al
mocht van weglaten. Van ‘k-heb-het-toch-een-beetje-friskes’ naar ‘sodando-como-una-vaca’.
‘Swetschen-wir-ein-rund’ zo je wil. Tot we de trek s’avonds iets later dan
verwacht afsluiten in het dorpje Yanacachi. Zo laat zelfs dat we verplicht zijn
om het werk te verwittigen dat we er een half dagje aanbreien, en ons
noodgedwongen met z’n allen aan de rand van het zwembad (!) al te hevig aan de
Singani wagen. Een veel te gevaarlijk, straf Boliviaans goedje waarvan je
s’morgens de kater van je leven hebt. Telkens weer. Gelukkig zit ik tijdens dit
schrijven aan de Huari.
De Chillata Trek
Geen kompanen deze keer. Enkel Mowsie
en ik. En een tent. En uiteraard een kaart en ons eigen orientatievermogen. Of
dat van Mowsie. Want op dat van mezelf valt hoegenaamd niet op te rekenen. Eén trek achter de rug en lamavelletjes en
dwergenhuisjes moeten plaats maken voor het veel stoerdere matje en een
‘carpa’. Het doel: in twee dagen vanuit
Sorata heen en terug naar het Chillata meer. Van de voor ons in Bolivië
belachelijk lage 2700 hoogtemeters naar 4200 en terug.
De kaart toont veelbelovende
details, maar de praktijk geeft de onherbergzame natuur gewonnen. Mowsies
orientatievermogen blijkt voldoende – meer zelfs – maar net niet genoeg. We
zijn in Sorata nogal koppig tegen een plaatselijke gids, en uit ervaring nogal
argwanend. “Si si, hombre. ‘t Is waar jong. Da’s niet te doen in een dag naar
da meer. Tzal wel jong. We zouden beter voor 100 Bolivianos met uwen jeep een
eindje meerijden. Ons gade nie hebben.
Wij wonen hier. We kennen dan. Ge zijt gij zot zeker. Tien euro. Met alle
toeristen, maar niet met die halve Bolivianen.”
Maar we hebben het hem bewezen: het
ís te doen. Of toch bijna. We bediscussiëren de kaart eindeloos. We zijn om
half zeven ‘s avonds – de zon verdwijnt subtiel achter de bergen – ondertussen
al een dikke acht uur aan het stappen en we móeten volgens onze zorgvuldige
berekeningen in de buurt zijn. We moeten een uurtje later – in de donker –
ergens in de echt wel middle of nowhere, noodgedwongen toch onze tent opslaan.
En net (?) niet aan de Laguna Chillata.
Een – miljaarde – koude nacht
later maakt het zonnetje ons gelukkig wakker. Hetzelfde zonnetje geeft ons de
moed om uit onze slaapzak te kruipen en verder te discussiëren over waar we
zijn. Een horde lamas doet ons een herdertje tegenkomen die – spijtig genoeg
voor hem – slechts de eigenaar is van twee koeien wat verderop, maar die ons
weet te vertellen dat het voor ons nu nog veel beruchtere meer daar vlakbij op
zo’n 200 meter verder ligt. We brunchen aan het meer in compagnie van de
bewaker van de tenten van de gids en zijn in de val gelopen toeristen die we zo
graag op hun doos wilden geven door de vorige nacht samen met hen aan het meer
te slapen (wij evenwel gratis en zonder ezels), en zetten diezelfde middag opnieuw
koers naar Sorata.
Wij voelen ons alsnog de
overwinnaars als we ons die nacht trakteren op die veel te dure camping met
opnieuw een zwembad. De drie euro zijn het waard... Zeker omdat we die avond
een kampvuur kunnen bouwen met twee heerlijke Boliviaanse koppel’kes en hun kroost.
Nu vloeit de wijn nogal rijkelijk. Elke trek moet bllijkbaar afgesloten worden
met een veel te gezellige avond onder nieuwe vrienden en gepaard met enige
promilles. Laat dat een conclusie zijn.
Campo Base del Volcán Sajama (den hoogsten berg van Bolivië by the way)
En hop! Omdat we bezig zijn. We
doen er nog eentje bovenop. Kan het nog stoerder? Ook met tent en matje, maar
met een kaart die weinig details toont misschien? Nee, de kaart toont misschien weinig details,
maar onze Rough Guide zegt ons dat
het pad naar het basiskamp van de hoogste berg van Bolivië heel goed aangeduid
is. Het zou opnieuw op een weekend moeten te doen zijn. Zaterdagochtend
vertrekken en op z’n maximum maandagochtend terugkeren naar het werk. Om vijf
uur uit de veren, even een douche’ken en met de door ervaring lichter gepakte
rugzak richtig die memorabele top. Of toch tot het basiskamp ervan.
Mowsie staat eerst op. Ze moet
haar haar nog wassen, maar komt na tien minuten terug met de verwarrende
woorden”zo vertrek ik niet”. Onze douche – die Don Simón nu ongetwijfeld daar
in België al snoeihard mist – laat het raar maar waar eens afweten. Gelukkig is
er al snel het besef dat enkele potten op het vuur de job al even goed doen, en
zijn we snel en el camino por Sajama.
In het dorpje Curahuara de
Carangas moeten we even onze plannen onderbreken. We komen al om 10 uur ‘s morgens
daar aan, en de man die staat te pronken aan zijn Sajama-busje drukt ons op het
hart dat hij om één uur en punto zal
vertrekken. Elke zaterdag is er daar markt voor de hele streek. Het is alsof er
in Sint-Denijs-Boekel elk weekend een markt zou worden georganisseerd voor de
hele zwalmstreek. Een zaterdagsuitstap zeg maar. We staan stipt op de afspraak
na een enorm leerrijke rondleiding in de ‘Sixtijnse kapel’ van de Altiplano. We
leren het dus niet. Twee Chollas en hun mini-cholla zijn hun schijnbaar dermate
tegoed aan het doen aan de verleidelijkheden van de markt, en moeten door de
chauffeur eigenhandig van hun activiteiten worden weggesleurd om pas om twee
uur te kunnen aanzetten. Ik voorzie de
mini-cholla nog even van de woorden “ahora
noy hay campo para ti” die ze een dikke twee uur daarvoor om weet ik welke
reden mijn richting uitspoot, maar afgenomen van een goed gevoel voor mezelf
zal dat de Bolivianen niet veranderen: het zij zo. Daardoor kunnen we die dag
maar om half vijf des namiddags aanzetten met onze rugzak.
Een uurtje. Langer kunnen we niet
doorgaan. We hebben ons lesje al geleerd. Door dat lesje is er tijd genoeg om
in het hoogste bos ter wereld op ons gemak ons tent op te zetten, en zelfs nog
takken uit het hoogste bos ter wereld – sorry, maar het kan niet genoeg gezegd
: Hét Hóógste – te sprokkelen voor het kampvuur. Vuurvrouw is in haar nopjes. Met
een vleugje nostalgie denkt ze terug aan de overlevingen met de
scoutsvriendinnetjes. Van de voorafgaande treks, en zelfs van alle treks die we
ooit hebben gedaan, moet dit de mooiste plek zijn waar we ooit onze tent hebben
opgezet. Vulkanen in overvloed. Te perfect vulkaan voor mogelijk die ene daar
iets verder in Chilli. Besneeuwde toppen. De hoogste boom ter wereld. En
daartussen een vlakte op 4200 meter hoogte. We gaan ondanks de mooie
sterrenhemel, maar door de koude zelfs om half negen slapen nu. Hoe vroeger, hoe
mooier de trek zeker?
‘s Morgens zijn onze banaantjes
en m’n Camelbag bevroren. Het was een nacht van onder nul, en er is een ochtendvuurtje
bovenop de zon nodig om ons de moed te verschaffen. Soit. Het hout is droog en
in een mummeke zijn we er klaar voor. De camino is inderdaad goed aangeduid, en
afgenomen van de hoogte is de trek een ‘stukje cake’. Een heerlijk lekker smeuïg
stukje cake wel. Bolivië is prachtig, maar deze streek slaat alles. Ik hoop dat
de foto’s dit meer kunnen duidelijk maken dan nog meer gelul nu. (Simon,
verdoeme, als ik dat had geweten, we hadden er dit nog moeten bijpakken...)
We trekken de obligate springfoto
op een hoogte die de top van de Mont Blanc nog maar eens overtreft, beseffen
dat dit een heerlijk gevoel is, en keren terug naar de toeristische
trekpleister van de streek. De warmwaterbronnen. Natuurlijke warme zwemputten
waarin het heerlijk vertoeven is en waaraan Rut, een vriendin uit La Paz ons
even ongelovig zit aan te kijken. We kijken al met een even ongelofelijke blik
terug en sluiten de trek af zoals het moet : met een gezellig onderonsje.
Ruth en haar kompanen kunnen ons
een lift geven in de achterbak van hun pickup. Een prachtige tocht van drie uur
– onder het verwonderde oog van de truckchaufeurs die we voorbijsteken – brengt
ons vroeger dan verwacht terug in Oruro. We hebben vandaag op de feestdag hard
gewerkt, en doen dat morgen op nog een feestdag opnieuw. Toegegeven: omdat we
dan deze vrijdag met een onschuldig gevoel voor een verjaardagstrek richting de
laagte plek waar we in Bolivië ooit zijn geweest, kunnen aanvangen. Het Parque
Nacional Amboró, op 300 meter hoogte,
waarvan de Lonely Planet
garandeert dat we er beren, puma’s en meer dan 800 verschillende soorten vogels
zullen zien.
Verslag volgt.
Un abrazo, un beso y hasta pronto! (Of toch tot binnen ‘hace tiempo’...)
vrijdag 23 maart 2012
De viaje con Don Simón y Hermano Estéfano
CH’ALLA / CARNAVAL / CH’ALLA
Onze thuisstad is opnieuw tot rust gekomen. De laatste trommels zijn uit de straten en de kleurrijke kostuums werden naar de droogkuis gebracht. De blikjes Paceña zijn naar ’t schroot en de geur van urine teistert niet langer onze zintuigen. ’t Was me een Feest. Una Fiesta Total.
’t Begon nog vóór Kerst en Nieuw met onverwachte Fanfares, Korte Rokjes en Hoge Hakjes. Een écht startschot was er niet, de stad trad langzaam maar zeker uit haar voegen. De weken voor D-Day (zaterdag 18 februari) regende het Couchsurf-aanvragen. Of we geen vriendelijke toeristen konden te slapen leggen en “plaatselijke gewoontes wilden delen”. Nochtans stond het klaar en duidelijk op onze profielpagina: niet beschikbaar tijdens Carnaval. We hadden immers Hoog Bezoek van Don Simón (de broer van Mathias) en zijn vriend Hermano Estéfano. Zij zagen Oruro in volle actie en zullen – tenzij ze op een (goede oude) dag terugkeren – de stad nooit in haar normale doen leren kennen…
De vrijdag was het Ch’alla in Chuzekery en op CEPA. Naar goede gewoonte komen alle Bolivianos de dag voor Carnaval samen op hun werk om elkaar een goed jaar te wensen (lees: we draaien de volle tien meter serpentines rond elkaars nek terwijl we “Qué sea buena hora” scanderen). Onze kantoortjes veranderden in lokaaltjes waar een heus verjaardagsfeestje aan de gang leek te zijn; ballonnen, slingers, kransen, suikerbolletjes, ... De Catapistas (Mathias, Hanne en Evelyne) verzorgden het tienuurtje en de “salad-bar”. Het vlees en de patatten werden aan de collega’s overgelaten. Ondanks het veelvuldige aandringen van Doña Fernanda durfden Don Simón en Hermano Estéfano zich maar niet op de dansvloer te wagen en hielden de jongens zich zo goed en zo kwaad als het kon op de achtergrond. Maar de Morenada (Mathias’ favoriete Carnavalsdeuntje) wist Simons danskriebels dan toch nog plots hevig aan te steken... A bailar Morenos! Iedereen was in volle vorm, Don Clemente opende onze pintjes op miraculeuze wijze en Monica zette Simon op zijn plaats met de woorden: “Gij last van HOOGTE-ziekte? Kom, dansen zult ge doen!”. We kijken al uit naar het uit de doeken doen van menig anekdotes op een volgend familiefeest bij de Monbaliu’s… Want zo was er ook nog dat andere Boliviaantje die de twee broers zag staan, zich tot Mathias wendde en zich luidop afvroeg “Vos comiste todo?” (“Hebde gij al ’t eten opgegeten?”). En zeggen dat die Bolivianen echt niet zó groot zijn, gemiddeld genomen zeker een kop kleiner dan onzen Don Simón…
Maar dat er niet alleen met Simon zal gelachen worden, zoveel is duidelijk. Want zaterdagavond verscheen el Jovencito Matías samen met zijn Cholita Evelyne op het Carnaval van Oruro (na Río hét allergrootste ter wereld!)... In traditionele klederdracht – witte bolhoedjes, ponchos van ossenbloed en geitenwollen sokken in abarcas (rubbersandalen) – brachten ze hun beste danspasjes ten tonele. Matías had hier wel enige alcohol, een sigaret of tien en een gezonde portie coca-bladeren voor nodig. De zenuwen speelden hem parten maar voor ’t oog van de camera liet hij zijn Cholita Evelyne gezwind verscheidene rondjes draaien. “A bailar Chocos!” riep het publiek in koor, en terwijl Mathias zich door onze vijf verschillende Kanthus Sartañani passen worstelde, ging Hanne bij de Tinkus tot het uiterste waar ze zich met gemak een twintig-tal dodelijke danssprongen eigen had gemaakt.
De dinsdag na Carnaval was het tijd voor een tweede Ch’alla, deze keer niet op ’t werk maar bij de Bolivianos thuis. De drie jongens waren ondertussen naar Isla del Sol, waardoor ik alleen met Hanne bij Tío Edgard en Tía Kristina – de nonkel en tante van ons Boliviaanse vriendin Gaby – uitgenodigd werden voor de parilla (barbecue). We gingen te voet aangezien alle mini’s thuis aan het vieren waren. Zelfs de bussen naar La Paz en andere grootsteden bleven braaf in de terminal. ’t Werd een gezellige middag met extreem veel vlees en té zoete Boliviaanse wijntjes. Tío Edgard (Professor Metallurgie aan de UTO) was een interessant en enthousiast figuur en ging volledig op in de Ch’alla van zijn huis; elk hoekje werd geweid d.m.v. een geutje pure alcohol, de 56 hoekjes van de trap incluis. De familie gaat een voorspoedig jaar tegemoet, dat kan den Edgard u verzekeren!
DEATH ROAD
Genoeg gefeest, tijd om nog eens serieus op reis te gaan...
Mathias was ondertussen terug in Oruro opgedoken terwijl Don Simón en Hermano Estéfano in het Parque Nacional Madidi alligators en ander ongedierte te lijf gingen. Exact een week na Carnaval kwamen we met z’n vieren terug samen in La Paz voor dé toeristische attractie aldaar: The World’s Most Dangerous Road. Uit de 1001 agentschappen kozen we Barracuda Biking – naar eigen zeggen The Best of the Rest – overtuigd door de hippe T-shirt (Ridiculously Awesome) en de CD met foto’s en filmpjes die ze ons na afloop zouden overhandigen. Een mini met daarin twee gidsen en zes chocos – vier Belgen, een Hollandse en een Noorse – bracht ons met mountainbike en toebehoren naar La Cumbre (De Top) op 4800 m hoogte. Dit alles onder muzikale begeleiding van Rock Band Queen: “BICYCLE BICYCLE BICYCLE / I WANT TO RIDE MY BICYCLE / I WANT TO RIDE MY BIKE / I WANT TO RIDE MY BICYCLE / I WANT TO RIDE IT WHERE I LIKE / …”. Op de top werden onze schijfremmen aan een korte test onderworpen. Deze moesten ons immers over een afstand van 64 km en een hoogteverschil van 3500 m uit de ravijn houden. De eerste 30 km waren puro asfalto waardoor lichtgewicht Don Simón al gauw achterop raakte en de stevige Hollandse (haar Barracuda jekker ritste maar net dicht) ons aan topsnelheid voorbij vloog...
Daarna kwam echter de échte Death Road en stak ‘Mountainbike Wijf’ Evelyne de Hollandse opnieuw voorbij. Ze schaarde zich achter de gids en de jongens maar moest afhaken wanneer het competitieve in de mannen naar boven kwam op een stevig stuk vals plat… We gingen danig snel en waren danig geconcentreerd dat we de kruisjes en gedenktekens langs het kronkelend pad amper opmerkten. Stenen zo groot als babyhoofdjes werden immers best vermeden en daarvoor was nogal wat concentratie vereist… Op de smalste stukken waren we Top Gear mascotte Jeremy in zijn schamele rode Jeep indachtig en prezen we onszelf gelukkig omdat onze tweewielers moeiteloos dezelfde passages doorstonden. Voor Mathias was het ‘dodelijkste’ wellicht de aankomst in Yolosa. Gelegen op 1200 m hoogte in de vochtige valleien van de Yungas was dit een paradijs voor alles wat vliegen én prikken kan. El pobre Matías stond al gauw vol beten, tot bloedens toe. En toch was ’t heerlijk om op slechts enkele uurtjes tijd van de kille Cordillera Real (Andes) in de luie hitte van de subtropische Yungas te belanden.
TOUR de UYUNI
Van La Paz ging ’t vervolgens hobbel de bobbel zuidwaarts naar Uyuni. Een mens zou denken dat ‘t over de wijdse Altiplano een aangename rit werd, maar de onverharde wegen hadden de vele regen niet volledig doorstaan... De eerste uren gaf ik Klaas Vaak nog een kans maar tijdens de laatste waande ik mij bovenop een op hol geslagen drilboor en zat ik klaarwakker – de zon was ondertussen opgekomen – op een eerste glimp van de Salar de Uyuni te wachten. Mijn geduld werd nog even op de proef gesteld want om ‘s werelds grootste zoutvlakte te zien en te betreden, kruip je best in één van de tientallen 4 x 4 ’s die bijna door evenveel agentschappen op twee-, drie- of vierdaagse tours uitgestuurd worden. Wij reserveerden op voorhand een tour van (uiteraard) vier dagen en vertrokken – na een dispuut over een reeds betaald voorschot (Sluwe Mario uit Sucre wou er met een kwart maandloon van door) – met ons gevieren en multi-man Plácido Domingo per jeep richting Colchani. Plácido was niet alleen onze chauffeur, hij was ook onze kok, fotograaf, grapjesmaker én gids. ’t Was nen-crème-van-nen-vent en hij liet ons Sluwe Mario dan ook vlug vergeten. De Salar op dag één was zoals te verwachten Increíble. Reizen in het regenseizoen mag dan net dat tikkeltje trickier zijn (de Salar komt volledig onder water te staan waardoor uw kansen op een bezoek aan Isla Pescador en op de volledige oversteek van een 100-tal km serieus verkleinen), het spiegeleffect die deze overstroming teweeg brengt, is gewoonweg lichtjes magisch. Of met de woorden van een enthousiaste Boliviaan; “Liiiiiiiiiiiindo está!”. Al blijft een bezoek aan dit pareltje van een Pachamama weggelegd voor de portemonnee van menig chocos…
Op dag twee waren er een tiental lagunas aan de beurt. Van flamenco naar flamenco. Laguna Colorada met haar duizenden flamingo’s spande ongetwijfeld de kroon, alhoewel Laguna Verde zonder flamingos ons zeker evenveel wist te bekoren. Het was aan deze laatste lagune dat ‘t in de nacht van dag twee op dag drie zou gaan gebeuren... Om 02h27 stond onze wekker en drie minuten later kregen we ons ontbijt bij kaarslicht geserveerd. Plácido deed er alles aan opdat we sterk zouden staan voor el Volcán Licancabur. De avond ervoor hadden de zenuwen nog voor een algemene slappe lach boven onze voorzichtige porties spaghetti gezorgd. Maar om 04h00 op een hoogte van 4600 m aan de voet van de vulkaan was het pure ernst. Plácido liet ons voor de komende tien uren over aan gids Serafín en drukte ons op het hart voorzichtig te zijn en zeker niet aan te dringen wanneer Serafín zou beslissen rechtsomkeer te maken. De eerste twee uur liepen vijf ‘Petzl-hoofden’ zwijgzaam – zuurstof sparend – achtereen op een rijtje zich af te vragen waar ze in godsnaam aan begonnen waren en of ze die verdomde top wel zouden halen. Aangezien de vulkaan de dag ervoor volledig door wolken omringd was geweest, had geen van ons enig idee hoe hoog hij eigenlijk was en of er nu veel of weinig sneeuw te trotseren viel. We wisten wel dat 5960 m geen peanuts zou zijn, maar probeerden de gedachte aan ademnood en barstende koppijn te verdringen. Serafín zette het perfecte tempo in en hield de pauzes op een minimum waardoor we op een hoogte van meer dan 5000 m een onwerkelijke zonsopgang mochten aanschouwen. Rond een uur of zeven bereikten we de eerste sneeuw op een hoogte van 5300 m. De top leek toen al niet meer zó veraf maar de vulkaanflanken werden steeds steiler en de weinige zuurstof waar we ’t moesten mee stellen, maakte het ons zeker niet gemakkelijk. Serafín had ons daags voordien op ’t hart gedrukt dat onze bottines geschikt waren voor stijgijzers, maar toen de sneeuw ijziger werd, was er van grampones geen spoor te bekennen. Hij werkte zich echter in ’t zweet door met zijn eenvoudige bergschoentjes in de steeds harder wordende sneeuw te hakken en zo voor ons het pad te “effenen”. Zo kwam het dat we tegen half tien met z’n vieren de voorlaatste “top” op een hoogte van 5750 m bereikten en dat Serafín besloot “tot hier en niet verder”. Jammer voor Don Matías die zich als een echte berggeit (excuseer bergbok) profileerde, maar beter voor Don Simón die bijna aan een kotsje toe was… Hermano Estéfano en Hermana Evelyne waren wellicht voor de volgende 45 minuten tot de echte top te overtuigen, maar of dat wijselijk had geweest, is een andere vraag. De afdaling was immers ook niet om te lachen en deed de groep even opschrikken toen Bergwijf Evelyne plots over de sneeuw begon te schuiven. Serafín was echter vliegensvlug (en er was daar gelukkig ook net die grote steen) waardoor ze snel en veilig terug op ’t juiste spoor werd gezet. Tegen twaalf uur zaten we opnieuw in Plácido’s jeep en verlangden allen naar een middagdutje, Serafín inlcuis. Enkel Bergbok Matías was niet te stoppen, had als enige van ons vier niets van hoofdpijn, en zag een plons in de nabijgelegen aguas thermales alweer volledig zitten. Al bij al brachten we ’t er allemaal verbazend goed vanaf, en zaten we diezelfde avond opnieuw bij kaarslicht van een Boliviaans wijntje te nippen. De vlokkenpuree was héérlijk!
maandag 12 maart 2012
CULINAIR SOLIDAIR - De foto's!
Hieronder vind je meer uitleg over het waterzuiveringsproject en CULINAIR SOLIDAIR!
CULINAIR SOLIDAIR ten voordele van het destillatorenproject
Deze blog was gepland opnieuw over een reisje te gaan – een week terug hadden we immers Mathias’ broer Simon en zijn maatje Stefaan op bezoek – maar we hebben ervoor gekozen dit nog een weekje uit te stellen en eerst over het waterzuiveringsproject te berichten.
Nu zondag 18 maart 2012 wordt er immers een Sober Maal bereid in de Parochie Afsnee / Sint-Denijs-Westrem (meer bepaald om 11h30 in de refter van het Sint-Paulusinstituut van Sint-Denijs). De opbrengst van dit Maal gaat integraal naar het project dat wij – Catapistas – hier ondersteunen in Oruro. Daarom deze blog over het reilen en zeilen van de zonnedestillatoren.
Al jaren worden de rivieren en meren van het Departement Oruro getekend door een sterke vorm van waterverontreiniging. De oorzaak van deze vervuiling is zowel natuurlijk als antropogeen. De streek wordt gekenmerkt door een sterke natuurlijke verzilting (i.e. hoge zoutgehaltes) en hoge achtergrondwaarden aan bepaalde zware metalen (hoge concentraties aan o.a. zink, tin, lood, … in zowel bodem als water). Daarnaast is echter ook de mijnbouw verantwoordelijk voor een groot deel van het kwaad. Een 300-tal mijnen, gaande van “éénmans ontginningen” over coöperatieven met enkele 10-tallen mijnwerkers tot de staatsmijn in Huanuni met bijna 5000 werknemers, eisen elk hun stuk van de taart, hun stukje Pachamama...
In de getroffen zone leven honderden families wiens water niet langer drinkbaar is. Zij leven wijdverspreid over de Boliviaanse altiplano en verenigden zich vijf jaar geleden in CORIDUP (Coordinadora en Defensa de la Cuenca del Río Desaguadero y de los Lagos Uru Uru y Poopó). Deze basisbeweging verenigt 80 gemeenschappen, allen wonende in het bekken van de Desaguadero rivier en de meren Uru Uru en Poopó, en is voor ons een enorm belangrijke partner op vlak van communicatie met de lokale bevolking en hun autoriteiten. De met zware metalen vervuilde wateren vormen zowel een directe als indirecte bedreiging voor de in CORIDUP verenigde families. Door de consumptie van gecontamineerd water heeft hun gezondheid erg te lijden: een lagere levensverwachting, meer miskramen en een hogere kindersterfte, vaker voorkomende kankers, mentale achterstand en storingen van het centrale zenuwstelsel. Zij worden echter ook indirect getroffen doordat de productie van de gewassen (aardappelen, quinoa, …) die ze telen en de dieren (schapen, koeien, lama’s, vissen, …) die ze kweken achteruit gaat.
Om al deze mensen te helpen, zo een kleine 500 families in totaal, werd in 2010 door CATAPA een waterzuiveringsproject uitgeschreven i.s.m. CEPA, Complejo Solar en de UTO. De UTO, Universidad Técnica de Oruro, voerde reeds jaren terug onderzoek naar de efficiëntie van verschillende types zonnedestilatoren. Prof. Juan Carlos Montoya en zijn team toonde aan dat drinkwaterproductie d.m.v. zonnedestilatoren erg lucratief is op de Boliviaanse altiplano gezien de vele zonne-uren en de lage omgevingstemperaturen. En zo kwam het dat CATAPA samen met CEPA – sinds 2005 onze lokale partner in Bolivia – ging aankloppen bij Complejo Solar die al ervaring had in het gebruik van zonne-energie (zonnekeukens, -radio’s, -lampen en dergelijke meer). Onder leiding van Jhonny Cuiza is Complejo Solar nu verantwoordelijk voor de productie van de zonnedestilatoren. Evelyne is door CATAPA verantwoordelijk gesteld voor de goede gang van zaken. In een land als Bolivia waar de middelen al eens schaars zijn en de mensen al eens Carnaval durven vieren, is dit niet altijd vanzelfsprekend, maar ze is enorm geboeid door de problematiek en zet er zich dan ook elke dag weer met plezier voor in. Mathias leert elke dag bij over de wetenschappelijke kant van de problematiek én de destillatoren, en hij is ontzettend gemotiveerd dit te blijven doen om zo de mensen hier een stem te geven d.m.v. foto’s, artikels, …
In 2011 werd voor dit waterzuiveringsproject een subsdie-aanvraag ingediend en verkregen bij de Koning Boudewijnstichting (Fonds Elisabeth & Amélie). Maar de bouw van de destillatoren is duurder uitgevallen dan verwacht (170 EUR per destillator) en extra steun is nu zeker meer dan welkom. Wij, en met ons ook de families hier, zijn dan ook erg trots dat Solidair Culinair 2012 voor het waterzuiveringsproject gekozen heeft.
Met jullie hulp kunnen we ongetwijfeld heel wat families van drinkbaar water voorzien, “porque el agua vale más que el oro” (Want water is meer waard dan goud)! Vanuit Oruro, een dikke merci voor jullie steun en interesse. Desde Oruro, mil gracias por su apoyo y su interés.
Smakelijk! Aprovecho!
Nu zondag 18 maart 2012 wordt er immers een Sober Maal bereid in de Parochie Afsnee / Sint-Denijs-Westrem (meer bepaald om 11h30 in de refter van het Sint-Paulusinstituut van Sint-Denijs). De opbrengst van dit Maal gaat integraal naar het project dat wij – Catapistas – hier ondersteunen in Oruro. Daarom deze blog over het reilen en zeilen van de zonnedestillatoren.
Al jaren worden de rivieren en meren van het Departement Oruro getekend door een sterke vorm van waterverontreiniging. De oorzaak van deze vervuiling is zowel natuurlijk als antropogeen. De streek wordt gekenmerkt door een sterke natuurlijke verzilting (i.e. hoge zoutgehaltes) en hoge achtergrondwaarden aan bepaalde zware metalen (hoge concentraties aan o.a. zink, tin, lood, … in zowel bodem als water). Daarnaast is echter ook de mijnbouw verantwoordelijk voor een groot deel van het kwaad. Een 300-tal mijnen, gaande van “éénmans ontginningen” over coöperatieven met enkele 10-tallen mijnwerkers tot de staatsmijn in Huanuni met bijna 5000 werknemers, eisen elk hun stuk van de taart, hun stukje Pachamama...
In de getroffen zone leven honderden families wiens water niet langer drinkbaar is. Zij leven wijdverspreid over de Boliviaanse altiplano en verenigden zich vijf jaar geleden in CORIDUP (Coordinadora en Defensa de la Cuenca del Río Desaguadero y de los Lagos Uru Uru y Poopó). Deze basisbeweging verenigt 80 gemeenschappen, allen wonende in het bekken van de Desaguadero rivier en de meren Uru Uru en Poopó, en is voor ons een enorm belangrijke partner op vlak van communicatie met de lokale bevolking en hun autoriteiten. De met zware metalen vervuilde wateren vormen zowel een directe als indirecte bedreiging voor de in CORIDUP verenigde families. Door de consumptie van gecontamineerd water heeft hun gezondheid erg te lijden: een lagere levensverwachting, meer miskramen en een hogere kindersterfte, vaker voorkomende kankers, mentale achterstand en storingen van het centrale zenuwstelsel. Zij worden echter ook indirect getroffen doordat de productie van de gewassen (aardappelen, quinoa, …) die ze telen en de dieren (schapen, koeien, lama’s, vissen, …) die ze kweken achteruit gaat.
Om al deze mensen te helpen, zo een kleine 500 families in totaal, werd in 2010 door CATAPA een waterzuiveringsproject uitgeschreven i.s.m. CEPA, Complejo Solar en de UTO. De UTO, Universidad Técnica de Oruro, voerde reeds jaren terug onderzoek naar de efficiëntie van verschillende types zonnedestilatoren. Prof. Juan Carlos Montoya en zijn team toonde aan dat drinkwaterproductie d.m.v. zonnedestilatoren erg lucratief is op de Boliviaanse altiplano gezien de vele zonne-uren en de lage omgevingstemperaturen. En zo kwam het dat CATAPA samen met CEPA – sinds 2005 onze lokale partner in Bolivia – ging aankloppen bij Complejo Solar die al ervaring had in het gebruik van zonne-energie (zonnekeukens, -radio’s, -lampen en dergelijke meer). Onder leiding van Jhonny Cuiza is Complejo Solar nu verantwoordelijk voor de productie van de zonnedestilatoren. Evelyne is door CATAPA verantwoordelijk gesteld voor de goede gang van zaken. In een land als Bolivia waar de middelen al eens schaars zijn en de mensen al eens Carnaval durven vieren, is dit niet altijd vanzelfsprekend, maar ze is enorm geboeid door de problematiek en zet er zich dan ook elke dag weer met plezier voor in. Mathias leert elke dag bij over de wetenschappelijke kant van de problematiek én de destillatoren, en hij is ontzettend gemotiveerd dit te blijven doen om zo de mensen hier een stem te geven d.m.v. foto’s, artikels, …
In 2011 werd voor dit waterzuiveringsproject een subsdie-aanvraag ingediend en verkregen bij de Koning Boudewijnstichting (Fonds Elisabeth & Amélie). Maar de bouw van de destillatoren is duurder uitgevallen dan verwacht (170 EUR per destillator) en extra steun is nu zeker meer dan welkom. Wij, en met ons ook de families hier, zijn dan ook erg trots dat Solidair Culinair 2012 voor het waterzuiveringsproject gekozen heeft.
Met jullie hulp kunnen we ongetwijfeld heel wat families van drinkbaar water voorzien, “porque el agua vale más que el oro” (Want water is meer waard dan goud)! Vanuit Oruro, een dikke merci voor jullie steun en interesse. Desde Oruro, mil gracias por su apoyo y su interés.
Smakelijk! Aprovecho!
Matías y Ebelina
Je steunt het waterzuiveringsproject door te storten op het rekeningnummer BE36863-7218223-81. Voor een bedrag van vanaf 6.5 EUR ben je automatisch ingeschreven voor het Sober Maal op zondag 18 maart. Kan je niet aanwezig zijn, maar wil je toch graag een bijdrage leveren, dan kan dat op hetzelfde rekeningnummer.
Het Sober Maal gaat door vanaf 11h30 in de refter van het Sint-Paulusinstituut te Sint-Denijs-Westrem en wordt om 10h00 voorafgegaan door een viering in de kapel van Sint-Camillus waar meer uitleg zal gegeven worden over het project door twee van onze collega’s hier in Bolivia: Felix Laime (President van CORIDUP) en Jaime Caichoca (Coördinator van de afdeling Sociaal Milieurecht binnen CEPA).
woensdag 1 februari 2012
Over Dalí, Spinning, Merlina, Poepegaatjes en Victor Verleyen
We schrijven dinsdag 31 januari, hier half negen ’s avonds, jullie liggen normaal al in bed op dinsdagavond. Ik zit aan het raam van de bar die we pas twee weken geleden hebben leren kennen. Oruro geeft maar stapvoets zijn duistere geheimen en verborgen pareltjes weer. In deze bar hangen Míro, Picasso, Dalí, Kandinsky en Leonardo Da Vinci gezellig samen aan de muur te keuvelen. Vlak bij elkaar. Als vrienden voor het leven. Een beetje cliché - takkuurt - maar hier in Oruro, waar in drie kwart van de bars vanaf half negen ’s avonds meer hoofden op de tafels liggen dan er glazen op staan is dit een verademing.
Ik zit nog na te zweten van de spinning. Ja, spinning. Dat fietsen zonder een meter vooruit te komen. Beetje gay – takkuurt – maar hier in Oruro, waar de lucht buiten al eens op je longen durft te blijven plakken, een dubbele verademing. Vooral als Samuel de instructeur is. Samuel is een pezig bazeke van zo’n dikke meter en een half hoog. Zijn borstomtrek ongeveer dezelfde lengte. Ik schat hem een jaar of 40. Aangemoedigd door zijn “vamos’sen!” ga ik voluit. “Tercera posición! Vamos! Ariba! Vamos, Vamos, Vamos! Con Fuerza!” Het zweet gutst van mijn kortgeschoren hoofd. “Inhala! Exhala!” Ik vergeet dat we op het vijfde verdiep zitten van Hotel Eden, en dat daar door de ramen de Altiplano gewoon uitgestrekt naar mij opkijkt. Ik hoor Mowsie achter mij zweten. Een uurtje alles geven. En nu even alleen nagenieten met een Huari voor mijn neus. Alleen tussen Dalí en Míro.
We zijn nu een dikke week terug van een deugddoende reis en zijn al terug gewend aan CEPA. Mowsie heeft een hele week hard gewerkt aan een tussentijdse evaluatie voor haar destillatorenproject, ik heb CEPA de wondere wereld van Facebook leren kennen, en ben met de twee collega’s die binnenkort naar België vertrekken in La Paz hun visa gaan regelen. We genieten eigenlijk ook van onze job. Maar het reisje was heerlijk.
De foto’s hebben het waarschijnlijk al verteld, maar Sucre moet zowat de tegenpool van Oruro zijn. Zuiders, Spaans aandoend, gezellig en zwoel. In Tarija vloeide de goedkope maar lekkere wijn. Heb ik het woord verademing al gebruikt? Maar er is één ding dat de foto’s misschien niet vertelden. Dat we in Tupiza twee volle dagen per paard door de canyons van Zuid-Bolivia trokken. Twee dagen en een nacht. Twee dagen op een paard. Onze ‘paardervaring’ bleef daarvoor beperkt tot een uurtje ‘hoefslag’ (de manège in Sint-Denijs-Westrem). Dat het pijnlijk was moet ik de ervaren paardrijders niet vertellen. Pijnlijk, maar prachtig. En een beetje wennen. Hoe hard mag je die teugel naar rechts trekken als je die richting uitwil? Op welk ritme dien je telkens weer neer te ploffen in dat zadel als de gids besluit dat we klaar zijn voor een drafje? Hoe maak je een paard duidelijk dat hij van de plantjes aan de zijkant wel eens ferme diaree kan krijgen en hij die dus best niet aanraakt? Het is wennen, maar het ging goed. Het landschap is er eentje dat we in ons leven nog niet live hebben mogen meemaken. Het gaat goed. Tot het paard van onze gids, geplaagd door een plots te zachte ondergrond steigert en de ervaren ruiter van zijn rug gooit. Een meer dan lichte angst overmant ons. De zon doet hard haar best om Mowsie’s gezicht een blosje te geven, maar een bleke teint verdringt het Boliviaanse kleurtje dat we al hadden opgedaan. Even genieten we iets minder van de canyons. Maar de gids praat ons vertrouwen in en de zon slaagt er na een uurtje in om te doen waar ze zo goed in is.
En dan komen we daar vlak bij Argentinië Victor Verleyen tegen. Mijn excuses voor wie dit Sint-Denijsische fenomeen niet kent. Wie hem wel kent weet dat we hem niet echt tegenkwamen. Victor die daar plots opduikt in Bolivië? Nee. Maar miljaarde, het is bewezen dat iedereen wel ergens op de wereld zijn gelijke heeft lopen! De twee Schotten die we op onze tocht tegenkomen kregen als gids een 15-jarige snuiter toegewezen die zijn jeansbroekje het liefst vijf centimeter onder zijn poepespleetje zou dragen. Hij gibbert er de hele tocht op los, besluit om de vier minuten dat het voor hem te traag gaat, galoppeert er dan even lustig op los en gibbert gretig verder. Hij is veel te klein voor zijn leeftijd, draagt langere manen dan zijn paard, en maakt het helemaal af door twee verschillende schoenen te dragen. Aan zijn rechtervoetje zwarte all-stars met roze veters. Aan zijn linker een al even hip, maar compleet verschillend type schoeisel. Ocharme die chola-mama die steeds twee paar schoenen moet kopen. Maar wie Victor Verleyen kent heeft aan deze beschrijving wellicht genoeg om er ook van overtuigd te zijn dat iederen ergens ter wereld zijn evenpool heeft lopen! Ik heb het mij bescheurd van het lachen.
De rest van dit verhaal vertellen de foto’s. Wie niet gezien heeft dat ik weldegelijk dat blauwe streepje daar boven op die canyon ben, moet maar eens opnieuw kijken. Een tocht die we niet gaan vergeten, en die we binnen drie weken met Broertje Simon graag nog eens opnieuw doen!
Maar ik ben weer te veel aan het uitwijden, want ik moet het nog eens over het busvervoer hebben, en mijn Huari is al bijna op. Maar het busvervoer in Bolivië kent zijn gelijke hoogstwaarschijnlijk niet. Ik zet voor de lezer die nog niet heeft afgehaakt graag enkele feiten op een rijtje :
· Een mini is een stadsbus. Ze doen nog het meest denken aan dat type busjes waarmee Sardonis in het fantastische programma ‘’Merlina” werd vervoerd door die gekke dwerg. Een Toyota of Nissan die er kleiner uitziet dan hij zou doen vermoeden. Wie Merlina kent weet wat ik bedoel. Die mini is volgestampt met zitjes zodat zelfs de gemiddelde Boliviaan zijn knietjes moet optrekken. Die mini’s scheuren hier met duizenden tegelijk door de straten. Haltes zijn er niet. Wil je opstappen dan dien je gelijk welk exemplaar dat door middel van een schel getromp laat weten dat hij nog een zitje vrijheeft even toe te zwaaien. Wil je eruit dan roep je kordaat de magische woorden “en la esquina voy a bajar!”. “Op den hoek ga’k der uit!”, waarna de chauffeur – maar noem hem alsjeblief ‘maestro’ – zijn stuur al even kordaat een slag naar rechts geeft, en je steeds op minder dan twintig meter van je bestemming kan afstappen. Stel het je voor. Dat je van vanachter in de lijnbus gewoon “op den hoek” kan roepen en gelijk waar in Gent kan afstappen.
· Flota’s zijn de grotere exemplaren die slechts pendelen tussen de grote steden. Meestal een afgedankt Europees exemplaar van het soort bus waarmee de derde leeftijd in België jolig op maandelijkse toeristische uitstap door eigen land trekt. ‘Semi-cama’s’ of ‘net-geen-bed’ worden ze genoemd. Voor de volle twee euro brengen zij je van Oruro naar La Paz. Een rit van een uur of vier. Voor 10 euro kan je op een 14-uur durende nachtrit testen of je in een ‘bijna-bed’ ook kan slapen. Deze flota’s doen onze ouders huiveren, maar we kunnen hen gerust stellen. Uitgenomen van de soms net iets overdreven snelheid voelen we ons veilig op die bussen. En het is niet zo dat er ons dagelijks berichten in de krant bereiken over gruwelijke ongevallen. Misschien wekelijks. (Nee mama’s, niet waar, dit laatste zinnetje was slechts bij wijze van geintje). Veel erger is het feit dat je steeds in spanning moet afwachten of er geen stinkende chola naast u komt zitten. Ze doen het niet allemaal – stinken dan – en met alle respect voor de indigenes, ik wijd mijn vrijwilligersjob hier met veel plezier aan hen, maar sommigen kunnen verdomme stinken. Soms door het veelvuldige coca kauwen, soms door hun traditionele klederdracht die blijkbaar ook in de zomer in 37 lagen moet worden gedragen, soms door een combinatie van beiden. En dan zal je er maar naastzitten op een rit van 14 uur.
Mijn Huari is op. Mowsie zal nu thuis wel gedaan hebben met nog even doorwerken. Ik laat de mini’s voor wat ze zijn, kruip op mijn moto en laat haar straks dit stukje nalezen. Ik zet het morgen online.
Slaapwel! Buenas noches!
woensdag 25 januari 2012
! DE VIAJE / OP REIS !
Deze blog zou het verslag moeten worden van ons reisje in eigen land. Maar dat wordt het niet.
Niet dat we niet op reis zijn geweest. Het was zelfs een reis die absoluut een verslag zou verdienen. Maar we hebben ons net door de 1000 foto’s geworsteld om er een selectie van te maken die jullie hopelijk helemaal willen doorlopen, en hebben besloten om die foto’s enkel nog van commentaren te voorzien, en niet aan een echt verslag te beginnen. Want ik ken mezelf. Dan begin ik hier gelijk een Hollander die I love Techno doorbrengt op bollen op dat toetsenbord te rammen, blijf ik gaan, en eindigen we met een verslag van 23 pagina’s dat toch niemand leest.
Niet dus. Foto’s zeggen meer. Né!
(Klik hiernaast in de kolom rechts op de bijhorende diavoorstelling " ! DE VIAJE / OP REIS ! " om naar 't album op picasaweb te gaan.)
(Klik hiernaast in de kolom rechts op de bijhorende diavoorstelling " ! DE VIAJE / OP REIS ! " om naar 't album op picasaweb te gaan.)
Y por primero vez también para nuestros amigos Españoles y Bolivianos:
Este blog tendría que estar la historia de un viaje en ‘nuestro país’. Pero no está…
No es que no fuimos de viaje. Además fue un viaje que merecería un blog de su mismo. Pero acabamos de hacer una selección de casi mil fotos. Una selección de que esperamos que quieran mirar totalmente. Pues, decidíamos de solo poner comentarios con las fotos. Y así tienen una historia también. Porque si no, estaría una historia de mas que 37 hojas que nadie lea.
No pues, fotos dicen más que palabras!
dinsdag 27 december 2011
DICIEMBRE de 2011
Despedida Thomas (Sábado 3 de diciembre)
Tijd voor een feestje. Een afscheidsfeestje. Thomas – onze voorganger en eerste echte zuidmedewerker van CATAPA in Bolivia – verbleef hier langer dan een jaar en wist CEPA in die tijd met raad en daad bij te staan. Als mijnbouwingenieur kon hij vooral de Unidad Socio-ambiental van CEPA (1) meer dan versterken met zijn komst. Thomas nam vooral de officiële milieu-audit van de sluitingsfase van de Kori Kollo mijn onder de loep en zette samen met o.a. CEPA en de UTO (de universiteit van Oruro) een externe milieu-audit op poten (mede gesponsord door GZG – Gentenaars Zonder Grenzen). Beide auditorías liepen heel wat vertraging op, maar in april ’12 wordt het definitief rapport van het mijnbedrijf verwacht. Indien blijkt dat er hier en daar grove fouten en/of tekortkomingen in de officiële audit schuilen, zullen wij (CATAPA) i.s.m. CEPA en haar partners (juridische) actie ondernemen.
Inderdaad, grootse redenen tot feest… Om Thomas te bedanken voor alle hulp, werd er door de CEPA-crew op Chuzekery (CEPA’s hacienda) een heerlijk zomerse barbecue gehouden. De vrouwen smeten zich op de patatten en ’t vlees, de mannen op een hevig partijtje voetbal. Mathias ging tot ’t uiterste (de hoogte en ’t stof maakten ’t er niet maklijker op) en koos – ondanks de waarschuwingen van de cholitas – voor zijn marcelleke. Gebraden schouderbladen waren dan ook ’t pijnlijke gevolg. (Hij wou echt niet luisteren, Mama Micheline…) ’s Avonds werd er zoals gewoonlijk besloten dat er nog altijd niet genoeg cajas (bakken) bier verzet waren, waarop de gehele meute zich naar de Rincón – CEPA’s stamcafé en daarom ook wel CEPA II genoemd – begaf. Maar de Rincón heeft zo zijn sluitingsuur rond een uur of acht (met als voornaamste doel zatlapperij te vermijden), waardoor er nog een laatste volksverhuizing plaatsvond richting CEPA III. In vergelijking met CEPA II is CEPA III allerminst gezellig te noemen maar dat staat een stevig potje zuipen nooit in de weg. Hoe later op de avond, hoe groter de bierplassen op de vloer aangezien de traditie wil dat Pacha Mama (Moeder Aarde) zo af en toe ook wel een slokje lust… Ocharme mijn rugzak die daardoor ongewild ook meegenoot van de geutjes bier die door de enthousiaste Bolivianen rondom mij op gulle wijze opzettelijk en geheel bewust (!) aan Moeder Aarde, of dus de vloer, werden uitgedeeld.
(1) CEPA bestaat uit drie eenheden (tres unidades). De Unidad Socio-ambiental streeft naar milieu-rechtvaardigheid en staat o.l.v. Don Jaime (Evelyne’s huidige ‘baas’). Mathias werkt bij de Unidad Communicación y Formación o.l.v. onze vriend Limbert. De derde Unidad is deze van de Culturas o.l.v. Marcelo. Met deze laatste heeft vooral Hanne (onze nieuwe huisgenote tot april ’12) contact, zij doet momenteel haar doctoraat in de Geschiedenis aan de UGent.
Cumpleaños CEPA (Jueves 8 de diciembre)
We waren nog maar net bekomen van Thomas’ afscheidsfeest, en daar drong zich alweer een nieuwe gelegenheid tot feesten aan. CEPA is op 8 december 16 jaar geworden en dat werd samen met heel wat genodigden gevierd. Een mis, een offer aan Pacha Mama, een rijkelijke maaltijd én … voldoende cajas Huari (’t bier van Oruro en gelukkig ‘t lekkerste van ’t land) vergezeld van een resem Boliviaanse Carnavals deuntjes. We dansten – na de nodige bekertjes bier – de Morenada en de Tinku, twee typische Carnavals dansen, en dus een uitstekende voorbereiding op ’t Orureens Carnaval in februari. Ook die dag was ’t zuipen tot ’t bittere eind. Die Bolivianen kunnen er écht wat van. ’t Is alles of niets en op zo’n dagen is ’t Álles!
Las inspecciones de COMIBOL (Miércoles 21 y Jueves 22 de diciembre)
Het Directoraat Milieu van de Corporación Minera de Bolivia (COMIBOL) hield vlak voor Kerst een driedaagse inspectie. Don Felix van CORIDUP (2) kreeg een uitnodiging en wij maakten van de gelegenheid gebruik om mee op de kar te springen. De eerste dag verlieten twee mini’s met daarin een 20-tal mensen de Orureense vlakte om twee uur later en 1000 m hoger de mededeling “Bajamos!” toegeroepen te krijgen. De chauffeur kreeg ons busje nog amper voorwaarts vanwege de hevige regenval de voorbije nacht en uitstappen was de boodschap. Al slippend schoof ons busje ervandoor.
Hoe meer we stegen hoe dikker de mist en hoe witter het landschap. Dan toch een Witte Kerst! Hier en daar graasden er zwart-bruine plukjes lama’s, telkens voorzien van hun persoonlijke herder(s). Verder geen dorp of mens te bespeuren. Dat er na het inzetten van de daling – we hadden de pas vlotjes al rijdend (!) gepasseerd – plots een dorp voor ons lag, was dan ook verrassend. Van bovenuit zag ’t er allemaal bijzonder mistroostig uit, een verlaten mijndorp, een klein spookstadje. Eens aangekomen tussen de huizen, wat zwerfhonden en de oude mijnbouwfabriek zorgde de bittere kou voor een nog triestere indruk. Begrijpelijk dat het ongeloof bij de Mowsies – die twee gringos uit Bélgica (Europa) – groot was toen we plots fanfare hoorden. Ónmogelijk dacht ik. Overal, maar niet hier… En tóch, feest voor La Virgen Lourdes! De trommels en trompetten waren van stal gehaald, de meisjes en jongens in hun blinkende Morenada-pakjes gehesen en daar stonden ze fier als een gieter in de bemodderde mijnbouwstraatjes van Morococala.
Door al deze eigenaardigheden – waar onze medereizigers uiteraard minder van opkeken – vergeet ik bijna onze eigenlijke missie uit de doeken te doen. Meneer en Mevrouw COMIBOL hadden ons uitgenodigd voor de inspectie van hun nieuwste encapsulamientos (inkapselingen). Grootse constructies die het mijnbouwafval inkapselen om te vermijden dat er zuur mijnwater gegenereerd wordt, dat op zijn beurt zwarte metalen in oplossing brengt die daardoor in de rivier en volledige ecosystemen terechtkomen.
Na Morococala, stond ook Santa Fe op het programma. Een veelbelovende naam, maar een minstens even somber vervallen mijnbouwdorpje. En ook hier grootse encapsulamientos vlak naast de oude mijnbouwfabriek, de rivier, de huizen, … Maar oud en verlaten zijn zowel in Morococala als Santa Fe relatief aangezien er nog steeds mijnbouwcoöperatieven aan het werk zijn. Elke dag tussen 8 a.m. en 5 p.m. dalen er kleine groepjes mannen 50 m diep de mijn binnen om daar op artisanale wijze de laatste restjes kostbare mineralen te ontginnen…
Op dag twee waren de mini’s overbodig en ging iedereen op eigen houtje – wij met de moto – aangezien de San José mijn midden in de stad Oruro ligt, vlak naast de Faculteit van de Geneeskunde. Ook die dag stond een bezoek aan de gigantische, ingekapselde mijnafvalberg gepland. De berg moet momenteel zijn eerste regenseizoen doorstaan en had ’t er hier en daar al aardig lastig mee… COMIBOL stond ons zo goed en zo kwaad mogelijk te woord, met nu en dan een hevige Don Felix en een op-hun-plaats-zettende juffrouw van ’t stadhuis in de aanval. Ik had zo nu en dan mijn bedenkingen, maar durfde als kleine gringo niet zomaar mijn mond open te doen.
Ook in San José zijn er nog een aantal cooperativas actief en wordt er dagelijks (zuur) mijnwater geloosd. COMIBOL ontfermt zich momenteel over het graven van een afwateringssysteem dat er – voornamelijk tijdens het regenseizoen – voor moet zorgen dat er minder water de mijn binnenstroomt. Op mijn vraag of ze het omgeleide regenwater zouden opvangen, vielen ze nogal uit de lucht, maar kwamen meteen op ’t sublieme idee een parque ecológico aan te leggen om toerisme te bevorderen… Goeie help…
(2) CORIDUP is een basisbeweging (ondersteund door CATAPA en CEPA) die bestaat uit de vereniging van 80 gemeenschappen van het bekken van de Rio Desaguadero en de meren Poopó en Uru Uru. Hun bestaansreden is de vervuiling en socio-economische druk vanwege lokale mijnbouwactiviteiten.
Boda Thomas & Danitza (Viernes 23 de diciembre)
Ondertussen volledig bekomen van zijn afscheidsfeestje (zie hierboven), drong zich zijn trouw aan. Onze Belg Thomas en La Cochabambina Danitza trouwden de avond voor Kerstavond in een kerkje in het - voor Boliviaanse normen – nabijgelegen Cochabamba. De Belgische/Orureense delegatie was ook volledig klaar voor een feestje van formaat. Voor het eerst in lange tijd deden Hanne en Evelyne nog eens schoentjes met hakjes aan en kocht Mathias een vleugje parfum. Desondanks zagen we er in vergelijking met de Boliviaanse delegatie maar sjofel uit… Maar zoals ’t van de Belgen verwacht werd, hield dit hen niet tegen zich aan een stevig danspasje te wagen! Van Gabriel Rios en Amy McDonald (Thomas’ keuze bij het echt wel lekkere eten), over de Black Eyed Peace en Shakira, naar typische Orureense Carnavalmuziek verzorgd door een live-fanfare. Tegen Thomas’ wil in hadden zijn lieve oudertjes, broer en zus een CD met Belgische trouwklassiekers mee. De Connemara haalde het net niet, maar Dos Cervezas Por Favor was dolle ambiance! Zeker omdat er geen druppel bier geserveerd werd… De traditie in sommige families wil dat er continu op elke tafel een fles rum, een fles whisky en een kan cola ter beschikking van de dorstigen staat. Geen wijn (noch rood, noch wit), en geen bier! Tom Waes’ laatste strofe Más Cervezas Por Favor (MEER bier alstublief!) sloeg dan ook keihard aan bij de Bolivaanse feestvierders. Een dansend treintje werd gevormd en ging – handjes wuivend – dolletjes door de zaal…
Tijd voor een feestje. Een afscheidsfeestje. Thomas – onze voorganger en eerste echte zuidmedewerker van CATAPA in Bolivia – verbleef hier langer dan een jaar en wist CEPA in die tijd met raad en daad bij te staan. Als mijnbouwingenieur kon hij vooral de Unidad Socio-ambiental van CEPA (1) meer dan versterken met zijn komst. Thomas nam vooral de officiële milieu-audit van de sluitingsfase van de Kori Kollo mijn onder de loep en zette samen met o.a. CEPA en de UTO (de universiteit van Oruro) een externe milieu-audit op poten (mede gesponsord door GZG – Gentenaars Zonder Grenzen). Beide auditorías liepen heel wat vertraging op, maar in april ’12 wordt het definitief rapport van het mijnbedrijf verwacht. Indien blijkt dat er hier en daar grove fouten en/of tekortkomingen in de officiële audit schuilen, zullen wij (CATAPA) i.s.m. CEPA en haar partners (juridische) actie ondernemen.
Inderdaad, grootse redenen tot feest… Om Thomas te bedanken voor alle hulp, werd er door de CEPA-crew op Chuzekery (CEPA’s hacienda) een heerlijk zomerse barbecue gehouden. De vrouwen smeten zich op de patatten en ’t vlees, de mannen op een hevig partijtje voetbal. Mathias ging tot ’t uiterste (de hoogte en ’t stof maakten ’t er niet maklijker op) en koos – ondanks de waarschuwingen van de cholitas – voor zijn marcelleke. Gebraden schouderbladen waren dan ook ’t pijnlijke gevolg. (Hij wou echt niet luisteren, Mama Micheline…) ’s Avonds werd er zoals gewoonlijk besloten dat er nog altijd niet genoeg cajas (bakken) bier verzet waren, waarop de gehele meute zich naar de Rincón – CEPA’s stamcafé en daarom ook wel CEPA II genoemd – begaf. Maar de Rincón heeft zo zijn sluitingsuur rond een uur of acht (met als voornaamste doel zatlapperij te vermijden), waardoor er nog een laatste volksverhuizing plaatsvond richting CEPA III. In vergelijking met CEPA II is CEPA III allerminst gezellig te noemen maar dat staat een stevig potje zuipen nooit in de weg. Hoe later op de avond, hoe groter de bierplassen op de vloer aangezien de traditie wil dat Pacha Mama (Moeder Aarde) zo af en toe ook wel een slokje lust… Ocharme mijn rugzak die daardoor ongewild ook meegenoot van de geutjes bier die door de enthousiaste Bolivianen rondom mij op gulle wijze opzettelijk en geheel bewust (!) aan Moeder Aarde, of dus de vloer, werden uitgedeeld.
(1) CEPA bestaat uit drie eenheden (tres unidades). De Unidad Socio-ambiental streeft naar milieu-rechtvaardigheid en staat o.l.v. Don Jaime (Evelyne’s huidige ‘baas’). Mathias werkt bij de Unidad Communicación y Formación o.l.v. onze vriend Limbert. De derde Unidad is deze van de Culturas o.l.v. Marcelo. Met deze laatste heeft vooral Hanne (onze nieuwe huisgenote tot april ’12) contact, zij doet momenteel haar doctoraat in de Geschiedenis aan de UGent.
Cumpleaños CEPA (Jueves 8 de diciembre)
We waren nog maar net bekomen van Thomas’ afscheidsfeest, en daar drong zich alweer een nieuwe gelegenheid tot feesten aan. CEPA is op 8 december 16 jaar geworden en dat werd samen met heel wat genodigden gevierd. Een mis, een offer aan Pacha Mama, een rijkelijke maaltijd én … voldoende cajas Huari (’t bier van Oruro en gelukkig ‘t lekkerste van ’t land) vergezeld van een resem Boliviaanse Carnavals deuntjes. We dansten – na de nodige bekertjes bier – de Morenada en de Tinku, twee typische Carnavals dansen, en dus een uitstekende voorbereiding op ’t Orureens Carnaval in februari. Ook die dag was ’t zuipen tot ’t bittere eind. Die Bolivianen kunnen er écht wat van. ’t Is alles of niets en op zo’n dagen is ’t Álles!
Las inspecciones de COMIBOL (Miércoles 21 y Jueves 22 de diciembre)
Het Directoraat Milieu van de Corporación Minera de Bolivia (COMIBOL) hield vlak voor Kerst een driedaagse inspectie. Don Felix van CORIDUP (2) kreeg een uitnodiging en wij maakten van de gelegenheid gebruik om mee op de kar te springen. De eerste dag verlieten twee mini’s met daarin een 20-tal mensen de Orureense vlakte om twee uur later en 1000 m hoger de mededeling “Bajamos!” toegeroepen te krijgen. De chauffeur kreeg ons busje nog amper voorwaarts vanwege de hevige regenval de voorbije nacht en uitstappen was de boodschap. Al slippend schoof ons busje ervandoor.
Hoe meer we stegen hoe dikker de mist en hoe witter het landschap. Dan toch een Witte Kerst! Hier en daar graasden er zwart-bruine plukjes lama’s, telkens voorzien van hun persoonlijke herder(s). Verder geen dorp of mens te bespeuren. Dat er na het inzetten van de daling – we hadden de pas vlotjes al rijdend (!) gepasseerd – plots een dorp voor ons lag, was dan ook verrassend. Van bovenuit zag ’t er allemaal bijzonder mistroostig uit, een verlaten mijndorp, een klein spookstadje. Eens aangekomen tussen de huizen, wat zwerfhonden en de oude mijnbouwfabriek zorgde de bittere kou voor een nog triestere indruk. Begrijpelijk dat het ongeloof bij de Mowsies – die twee gringos uit Bélgica (Europa) – groot was toen we plots fanfare hoorden. Ónmogelijk dacht ik. Overal, maar niet hier… En tóch, feest voor La Virgen Lourdes! De trommels en trompetten waren van stal gehaald, de meisjes en jongens in hun blinkende Morenada-pakjes gehesen en daar stonden ze fier als een gieter in de bemodderde mijnbouwstraatjes van Morococala.
Door al deze eigenaardigheden – waar onze medereizigers uiteraard minder van opkeken – vergeet ik bijna onze eigenlijke missie uit de doeken te doen. Meneer en Mevrouw COMIBOL hadden ons uitgenodigd voor de inspectie van hun nieuwste encapsulamientos (inkapselingen). Grootse constructies die het mijnbouwafval inkapselen om te vermijden dat er zuur mijnwater gegenereerd wordt, dat op zijn beurt zwarte metalen in oplossing brengt die daardoor in de rivier en volledige ecosystemen terechtkomen.
Na Morococala, stond ook Santa Fe op het programma. Een veelbelovende naam, maar een minstens even somber vervallen mijnbouwdorpje. En ook hier grootse encapsulamientos vlak naast de oude mijnbouwfabriek, de rivier, de huizen, … Maar oud en verlaten zijn zowel in Morococala als Santa Fe relatief aangezien er nog steeds mijnbouwcoöperatieven aan het werk zijn. Elke dag tussen 8 a.m. en 5 p.m. dalen er kleine groepjes mannen 50 m diep de mijn binnen om daar op artisanale wijze de laatste restjes kostbare mineralen te ontginnen…
Op dag twee waren de mini’s overbodig en ging iedereen op eigen houtje – wij met de moto – aangezien de San José mijn midden in de stad Oruro ligt, vlak naast de Faculteit van de Geneeskunde. Ook die dag stond een bezoek aan de gigantische, ingekapselde mijnafvalberg gepland. De berg moet momenteel zijn eerste regenseizoen doorstaan en had ’t er hier en daar al aardig lastig mee… COMIBOL stond ons zo goed en zo kwaad mogelijk te woord, met nu en dan een hevige Don Felix en een op-hun-plaats-zettende juffrouw van ’t stadhuis in de aanval. Ik had zo nu en dan mijn bedenkingen, maar durfde als kleine gringo niet zomaar mijn mond open te doen.
Ook in San José zijn er nog een aantal cooperativas actief en wordt er dagelijks (zuur) mijnwater geloosd. COMIBOL ontfermt zich momenteel over het graven van een afwateringssysteem dat er – voornamelijk tijdens het regenseizoen – voor moet zorgen dat er minder water de mijn binnenstroomt. Op mijn vraag of ze het omgeleide regenwater zouden opvangen, vielen ze nogal uit de lucht, maar kwamen meteen op ’t sublieme idee een parque ecológico aan te leggen om toerisme te bevorderen… Goeie help…
(2) CORIDUP is een basisbeweging (ondersteund door CATAPA en CEPA) die bestaat uit de vereniging van 80 gemeenschappen van het bekken van de Rio Desaguadero en de meren Poopó en Uru Uru. Hun bestaansreden is de vervuiling en socio-economische druk vanwege lokale mijnbouwactiviteiten.
Boda Thomas & Danitza (Viernes 23 de diciembre)
Ondertussen volledig bekomen van zijn afscheidsfeestje (zie hierboven), drong zich zijn trouw aan. Onze Belg Thomas en La Cochabambina Danitza trouwden de avond voor Kerstavond in een kerkje in het - voor Boliviaanse normen – nabijgelegen Cochabamba. De Belgische/Orureense delegatie was ook volledig klaar voor een feestje van formaat. Voor het eerst in lange tijd deden Hanne en Evelyne nog eens schoentjes met hakjes aan en kocht Mathias een vleugje parfum. Desondanks zagen we er in vergelijking met de Boliviaanse delegatie maar sjofel uit… Maar zoals ’t van de Belgen verwacht werd, hield dit hen niet tegen zich aan een stevig danspasje te wagen! Van Gabriel Rios en Amy McDonald (Thomas’ keuze bij het echt wel lekkere eten), over de Black Eyed Peace en Shakira, naar typische Orureense Carnavalmuziek verzorgd door een live-fanfare. Tegen Thomas’ wil in hadden zijn lieve oudertjes, broer en zus een CD met Belgische trouwklassiekers mee. De Connemara haalde het net niet, maar Dos Cervezas Por Favor was dolle ambiance! Zeker omdat er geen druppel bier geserveerd werd… De traditie in sommige families wil dat er continu op elke tafel een fles rum, een fles whisky en een kan cola ter beschikking van de dorstigen staat. Geen wijn (noch rood, noch wit), en geen bier! Tom Waes’ laatste strofe Más Cervezas Por Favor (MEER bier alstublief!) sloeg dan ook keihard aan bij de Bolivaanse feestvierders. Een dansend treintje werd gevormd en ging – handjes wuivend – dolletjes door de zaal…
Abonneren op:
Posts (Atom)
