We schrijven dinsdag 31 januari, hier half negen ’s avonds, jullie liggen normaal al in bed op dinsdagavond. Ik zit aan het raam van de bar die we pas twee weken geleden hebben leren kennen. Oruro geeft maar stapvoets zijn duistere geheimen en verborgen pareltjes weer. In deze bar hangen Míro, Picasso, Dalí, Kandinsky en Leonardo Da Vinci gezellig samen aan de muur te keuvelen. Vlak bij elkaar. Als vrienden voor het leven. Een beetje cliché - takkuurt - maar hier in Oruro, waar in drie kwart van de bars vanaf half negen ’s avonds meer hoofden op de tafels liggen dan er glazen op staan is dit een verademing.
Ik zit nog na te zweten van de spinning. Ja, spinning. Dat fietsen zonder een meter vooruit te komen. Beetje gay – takkuurt – maar hier in Oruro, waar de lucht buiten al eens op je longen durft te blijven plakken, een dubbele verademing. Vooral als Samuel de instructeur is. Samuel is een pezig bazeke van zo’n dikke meter en een half hoog. Zijn borstomtrek ongeveer dezelfde lengte. Ik schat hem een jaar of 40. Aangemoedigd door zijn “vamos’sen!” ga ik voluit. “Tercera posición! Vamos! Ariba! Vamos, Vamos, Vamos! Con Fuerza!” Het zweet gutst van mijn kortgeschoren hoofd. “Inhala! Exhala!” Ik vergeet dat we op het vijfde verdiep zitten van Hotel Eden, en dat daar door de ramen de Altiplano gewoon uitgestrekt naar mij opkijkt. Ik hoor Mowsie achter mij zweten. Een uurtje alles geven. En nu even alleen nagenieten met een Huari voor mijn neus. Alleen tussen Dalí en Míro.
We zijn nu een dikke week terug van een deugddoende reis en zijn al terug gewend aan CEPA. Mowsie heeft een hele week hard gewerkt aan een tussentijdse evaluatie voor haar destillatorenproject, ik heb CEPA de wondere wereld van Facebook leren kennen, en ben met de twee collega’s die binnenkort naar België vertrekken in La Paz hun visa gaan regelen. We genieten eigenlijk ook van onze job. Maar het reisje was heerlijk.
De foto’s hebben het waarschijnlijk al verteld, maar Sucre moet zowat de tegenpool van Oruro zijn. Zuiders, Spaans aandoend, gezellig en zwoel. In Tarija vloeide de goedkope maar lekkere wijn. Heb ik het woord verademing al gebruikt? Maar er is één ding dat de foto’s misschien niet vertelden. Dat we in Tupiza twee volle dagen per paard door de canyons van Zuid-Bolivia trokken. Twee dagen en een nacht. Twee dagen op een paard. Onze ‘paardervaring’ bleef daarvoor beperkt tot een uurtje ‘hoefslag’ (de manège in Sint-Denijs-Westrem). Dat het pijnlijk was moet ik de ervaren paardrijders niet vertellen. Pijnlijk, maar prachtig. En een beetje wennen. Hoe hard mag je die teugel naar rechts trekken als je die richting uitwil? Op welk ritme dien je telkens weer neer te ploffen in dat zadel als de gids besluit dat we klaar zijn voor een drafje? Hoe maak je een paard duidelijk dat hij van de plantjes aan de zijkant wel eens ferme diaree kan krijgen en hij die dus best niet aanraakt? Het is wennen, maar het ging goed. Het landschap is er eentje dat we in ons leven nog niet live hebben mogen meemaken. Het gaat goed. Tot het paard van onze gids, geplaagd door een plots te zachte ondergrond steigert en de ervaren ruiter van zijn rug gooit. Een meer dan lichte angst overmant ons. De zon doet hard haar best om Mowsie’s gezicht een blosje te geven, maar een bleke teint verdringt het Boliviaanse kleurtje dat we al hadden opgedaan. Even genieten we iets minder van de canyons. Maar de gids praat ons vertrouwen in en de zon slaagt er na een uurtje in om te doen waar ze zo goed in is.
En dan komen we daar vlak bij Argentinië Victor Verleyen tegen. Mijn excuses voor wie dit Sint-Denijsische fenomeen niet kent. Wie hem wel kent weet dat we hem niet echt tegenkwamen. Victor die daar plots opduikt in Bolivië? Nee. Maar miljaarde, het is bewezen dat iedereen wel ergens op de wereld zijn gelijke heeft lopen! De twee Schotten die we op onze tocht tegenkomen kregen als gids een 15-jarige snuiter toegewezen die zijn jeansbroekje het liefst vijf centimeter onder zijn poepespleetje zou dragen. Hij gibbert er de hele tocht op los, besluit om de vier minuten dat het voor hem te traag gaat, galoppeert er dan even lustig op los en gibbert gretig verder. Hij is veel te klein voor zijn leeftijd, draagt langere manen dan zijn paard, en maakt het helemaal af door twee verschillende schoenen te dragen. Aan zijn rechtervoetje zwarte all-stars met roze veters. Aan zijn linker een al even hip, maar compleet verschillend type schoeisel. Ocharme die chola-mama die steeds twee paar schoenen moet kopen. Maar wie Victor Verleyen kent heeft aan deze beschrijving wellicht genoeg om er ook van overtuigd te zijn dat iederen ergens ter wereld zijn evenpool heeft lopen! Ik heb het mij bescheurd van het lachen.
De rest van dit verhaal vertellen de foto’s. Wie niet gezien heeft dat ik weldegelijk dat blauwe streepje daar boven op die canyon ben, moet maar eens opnieuw kijken. Een tocht die we niet gaan vergeten, en die we binnen drie weken met Broertje Simon graag nog eens opnieuw doen!
Maar ik ben weer te veel aan het uitwijden, want ik moet het nog eens over het busvervoer hebben, en mijn Huari is al bijna op. Maar het busvervoer in Bolivië kent zijn gelijke hoogstwaarschijnlijk niet. Ik zet voor de lezer die nog niet heeft afgehaakt graag enkele feiten op een rijtje :
· Een mini is een stadsbus. Ze doen nog het meest denken aan dat type busjes waarmee Sardonis in het fantastische programma ‘’Merlina” werd vervoerd door die gekke dwerg. Een Toyota of Nissan die er kleiner uitziet dan hij zou doen vermoeden. Wie Merlina kent weet wat ik bedoel. Die mini is volgestampt met zitjes zodat zelfs de gemiddelde Boliviaan zijn knietjes moet optrekken. Die mini’s scheuren hier met duizenden tegelijk door de straten. Haltes zijn er niet. Wil je opstappen dan dien je gelijk welk exemplaar dat door middel van een schel getromp laat weten dat hij nog een zitje vrijheeft even toe te zwaaien. Wil je eruit dan roep je kordaat de magische woorden “en la esquina voy a bajar!”. “Op den hoek ga’k der uit!”, waarna de chauffeur – maar noem hem alsjeblief ‘maestro’ – zijn stuur al even kordaat een slag naar rechts geeft, en je steeds op minder dan twintig meter van je bestemming kan afstappen. Stel het je voor. Dat je van vanachter in de lijnbus gewoon “op den hoek” kan roepen en gelijk waar in Gent kan afstappen.
· Flota’s zijn de grotere exemplaren die slechts pendelen tussen de grote steden. Meestal een afgedankt Europees exemplaar van het soort bus waarmee de derde leeftijd in België jolig op maandelijkse toeristische uitstap door eigen land trekt. ‘Semi-cama’s’ of ‘net-geen-bed’ worden ze genoemd. Voor de volle twee euro brengen zij je van Oruro naar La Paz. Een rit van een uur of vier. Voor 10 euro kan je op een 14-uur durende nachtrit testen of je in een ‘bijna-bed’ ook kan slapen. Deze flota’s doen onze ouders huiveren, maar we kunnen hen gerust stellen. Uitgenomen van de soms net iets overdreven snelheid voelen we ons veilig op die bussen. En het is niet zo dat er ons dagelijks berichten in de krant bereiken over gruwelijke ongevallen. Misschien wekelijks. (Nee mama’s, niet waar, dit laatste zinnetje was slechts bij wijze van geintje). Veel erger is het feit dat je steeds in spanning moet afwachten of er geen stinkende chola naast u komt zitten. Ze doen het niet allemaal – stinken dan – en met alle respect voor de indigenes, ik wijd mijn vrijwilligersjob hier met veel plezier aan hen, maar sommigen kunnen verdomme stinken. Soms door het veelvuldige coca kauwen, soms door hun traditionele klederdracht die blijkbaar ook in de zomer in 37 lagen moet worden gedragen, soms door een combinatie van beiden. En dan zal je er maar naastzitten op een rit van 14 uur.
Mijn Huari is op. Mowsie zal nu thuis wel gedaan hebben met nog even doorwerken. Ik laat de mini’s voor wat ze zijn, kruip op mijn moto en laat haar straks dit stukje nalezen. Ik zet het morgen online.
Slaapwel! Buenas noches!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten