Amigo mío!

Bienvenido amigo mío! Welkom op onze eigenste blogspot. Via deze weg willen we nieuwsgierigen hun honger stillen, 't thuisfront geruststellen en de mijnbouwproblematiek in Oruro (Bolivia) een stem geven...

En wij horen ook graag van jullie, dus reageer gerust op onze berichtjes!



woensdag 2 mei 2012


Over lamavellekes, gezellige onderonsjes, net niet aankomen, koekskes, Laeticia, Schwetsen wir ein rund en warmwaterbronnen

Voorwoord : Mowsie had het me net voor ik op café vertrok om dit te schrijven op het hart gedrukt : “Zie dat ge het binnen de twee A4’kes houdt.” Niet dus. Maar ik hoop dat het u niet afschrikt. Ik heb alvast genoten van het schrijven. Leze wie het leze wil.

Hace tiempo... . Het is een tijdje geleden, dat beseffen we, en het is niet dat we de pretentie hebben om te denken dat jullie zich al weken in jullie beddeke liggen af te vragen wanneer er nog eens een blogske aankomt, maar dat het zo lang geleden is heeft zijn redenen. Eerst en vooral moeten wij – in tegenstelling tot wat de op facebook geposte foto’s soms doen vermoeden – tijdens de week ook echt hard werken hier. En ten tweede hebben wij er – zoals de foto’s wel al deden vermoeden – de laatste weekends hard van geprofiteerd. Aprovechar’en heet dat hier dan. Genieten van wat dit land te bieden heeft. Genieten door te doen wat wij het liefst van al doen : ‘s vrijdags proviant inslaan onder de vorm van koekskes, fruit en andere licht meesleurbare geneugden, de rugzak vullen en de wilde natuur intrekken. En die is er hier genoeg! Hieronder volgt een geschreven verslag van drie fantastische trekkings in het mooiste land ter wereld. De foto’s hiernaast dienen als bewijs dat we dat niet zeggen omdat we hier wonen.
Over lamavellekes, gezellige onderonsjes, net niet aankomen, koekskes, Laeticia, Schwetsen wir ein rund en warmwaterbronnen dus ... : 

De Takesi Trek 

Lene kennen we al de volle drie minuten. Tijdens Carnaval gaven we haar en enkele vrienden onderdak. Maar veel verder dan “als jullie eens naar El Alto willen komen laat het maar weten” komen we dan niet. Het is maar een woord. En als we ze bellen zadelt ze ons spontaan met drie andere trekkompanen op als ze het voorstel doet om ons met hen samen aan de Takesi trek te wagen. Een tocht vanuit La Paz, over een kam van 4700 meter richting de Yungas. Een subtropisch gebied dat 2700 meter lager ligt.
Afspraak die zaterdagochtend om 5 uur om geen tijd te verliezen en snel terug aan het werk te kunnen zijn na het weekend. Lene geeft ons onderdak in El Alto, en wij staan ‘en punto’ op de afspraak. Enkel de Boliviaanse Marlene daagt ook op. Het wordt kwart na vijf. Half zes. We wachten op een Duitser en een Boliviaan. Het feit dat de Boliviaan eerst opduikt doet vermoeden dat de Duitser al betrekkelijk acostumbrado (aangepast) is aan de Boliviaanse manier van leven. We moeten hem zelfs letterlijk uit zijn bed gaan trekken. Gelukkig blijkt den Micha tan amable dat zijn foutje hem al snel vergeven is.
Wat volgt is een fantastiche trekking met een heerlijke groep mensen. Het stijgen van 3200 naar 4700 meter doet wat het altijd met ons doet, zeker omdat we nog te veel gerief meezeulen. Een potje ongemeend op de adem trappen, je eigen stappen tellen, per drie stappen stijgen en even op adem komen, niet nadenken en gaan, jezelf verplichten om bij elke adempauze even te genieten van waar je bent. In de Andes. Een hooggebergte mooier dan wat je al mogen aanschouwen hebt in je nochtans al lange leven. Laatste woorden die er misschien niet zouden staan mocht ik donderdag geen 31 worden...
Maar dan is het dalen. Aanvankelijk – de eerste dag van de trek – nog slechts miniem. Tot in een sprookjesdorp waar we elk twee lamavelletjes als matrasje krijgen toegestopt, waar het dwergenhuisje continu met rook gevuld is door de klei-oven, waar Llama (of lama in het nederlands) Laeticia voor ons de wacht houdt, en van waaruit we de Yungas nog niet kunnen zien door het wolkendek. Wilmer – omwille van de naam raar genoeg een Boliviaan – is kok en schotelt ons in die klei-oven een heerlijke pasta voor, waarna we al zoals het hoort bij een goede trekking al rond negen uur tegen ons lamavelleke aanschurken.
De volgende dag is het echt dalen. Van een dikke 4000 hoogtemeters naar de subtropen. Van de bergen naar wilde orchideën en landschappen waarvan ik vermoedde dat je er de “sub-“ al mocht van weglaten. Van ‘k-heb-het-toch-een-beetje-friskes’ naar ‘sodando-como-una-vaca’. ‘Swetschen-wir-ein-rund’ zo je wil. Tot we de trek s’avonds iets later dan verwacht afsluiten in het dorpje Yanacachi. Zo laat zelfs dat we verplicht zijn om het werk te verwittigen dat we er een half dagje aanbreien, en ons noodgedwongen met z’n allen aan de rand van het zwembad (!) al te hevig aan de Singani wagen. Een veel te gevaarlijk, straf Boliviaans goedje waarvan je s’morgens de kater van je leven hebt. Telkens weer. Gelukkig zit ik tijdens dit schrijven aan de Huari.

De Chillata Trek

Geen kompanen deze keer. Enkel Mowsie en ik. En een tent. En uiteraard een kaart en ons eigen orientatievermogen. Of dat van Mowsie. Want op dat van mezelf valt hoegenaamd niet op te rekenen.  Eén trek achter de rug en lamavelletjes en dwergenhuisjes moeten plaats maken voor het veel stoerdere matje en een ‘carpa’.  Het doel: in twee dagen vanuit Sorata heen en terug naar het Chillata meer. Van de voor ons in Bolivië belachelijk lage 2700 hoogtemeters naar 4200 en terug.
De kaart toont veelbelovende details, maar de praktijk geeft de onherbergzame natuur gewonnen. Mowsies orientatievermogen blijkt voldoende – meer zelfs – maar net niet genoeg. We zijn in Sorata nogal koppig tegen een plaatselijke gids, en uit ervaring nogal argwanend. “Si si, hombre. ‘t Is waar jong. Da’s niet te doen in een dag naar da meer. Tzal wel jong. We zouden beter voor 100 Bolivianos met uwen jeep een eindje meerijden.  Ons gade nie hebben. Wij wonen hier. We kennen dan. Ge zijt gij zot zeker. Tien euro. Met alle toeristen, maar niet met die halve Bolivianen.”
Maar we hebben het hem bewezen: het ís te doen. Of toch bijna. We bediscussiëren de kaart eindeloos. We zijn om half zeven ‘s avonds – de zon verdwijnt subtiel achter de bergen – ondertussen al een dikke acht uur aan het stappen en we móeten volgens onze zorgvuldige berekeningen in de buurt zijn. We moeten een uurtje later – in de donker – ergens in de echt wel middle of nowhere, noodgedwongen toch onze tent opslaan. En net (?) niet aan de Laguna Chillata.
Een – miljaarde – koude nacht later maakt het zonnetje ons gelukkig wakker. Hetzelfde zonnetje geeft ons de moed om uit onze slaapzak te kruipen en verder te discussiëren over waar we zijn. Een horde lamas doet ons een herdertje tegenkomen die – spijtig genoeg voor hem – slechts de eigenaar is van twee koeien wat verderop, maar die ons weet te vertellen dat het voor ons nu nog veel beruchtere meer daar vlakbij op zo’n 200 meter verder ligt. We brunchen aan het meer in compagnie van de bewaker van de tenten van de gids en zijn in de val gelopen toeristen die we zo graag op hun doos wilden geven door de vorige nacht samen met hen aan het meer te slapen (wij evenwel gratis en zonder ezels), en zetten diezelfde middag opnieuw koers naar Sorata.
Wij voelen ons alsnog de overwinnaars als we ons die nacht trakteren op die veel te dure camping met opnieuw een zwembad. De drie euro zijn het waard... Zeker omdat we die avond een kampvuur kunnen bouwen met twee heerlijke Boliviaanse koppel’kes en hun kroost. Nu vloeit de wijn nogal rijkelijk. Elke trek moet bllijkbaar afgesloten worden met een veel te gezellige avond onder nieuwe vrienden en gepaard met enige promilles. Laat dat een conclusie zijn. 

Campo Base del Volcán Sajama (den hoogsten berg van Bolivië by the way)

En hop! Omdat we bezig zijn. We doen er nog eentje bovenop. Kan het nog stoerder? Ook met tent en matje, maar met een kaart die weinig details toont misschien?  Nee, de kaart toont misschien weinig details, maar onze Rough Guide zegt ons dat het pad naar het basiskamp van de hoogste berg van Bolivië heel goed aangeduid is. Het zou opnieuw op een weekend moeten te doen zijn. Zaterdagochtend vertrekken en op z’n maximum maandagochtend terugkeren naar het werk. Om vijf uur uit de veren, even een douche’ken en met de door ervaring lichter gepakte rugzak richtig die memorabele top. Of toch tot het basiskamp ervan.
Mowsie staat eerst op. Ze moet haar haar nog wassen, maar komt na tien minuten terug met de verwarrende woorden”zo vertrek ik niet”. Onze douche – die Don Simón nu ongetwijfeld daar in België al snoeihard mist – laat het raar maar waar eens afweten. Gelukkig is er al snel het besef dat enkele potten op het vuur de job al even goed doen, en zijn we snel en el camino por Sajama.
In het dorpje Curahuara de Carangas moeten we even onze plannen onderbreken. We komen al om 10 uur ‘s morgens daar aan, en de man die staat te pronken aan zijn Sajama-busje drukt ons op het hart dat hij om één uur en punto zal vertrekken. Elke zaterdag is er daar markt voor de hele streek. Het is alsof er in Sint-Denijs-Boekel elk weekend een markt zou worden georganisseerd voor de hele zwalmstreek. Een zaterdagsuitstap zeg maar. We staan stipt op de afspraak na een enorm leerrijke rondleiding in de ‘Sixtijnse kapel’ van de Altiplano. We leren het dus niet. Twee Chollas en hun mini-cholla zijn hun schijnbaar dermate tegoed aan het doen aan de verleidelijkheden van de markt, en moeten door de chauffeur eigenhandig van hun activiteiten worden weggesleurd om pas om twee uur te kunnen aanzetten.  Ik voorzie de mini-cholla nog even van de woorden “ahora noy hay campo para ti” die ze een dikke twee uur daarvoor om weet ik welke reden mijn richting uitspoot, maar afgenomen van een goed gevoel voor mezelf zal dat de Bolivianen niet veranderen: het zij zo. Daardoor kunnen we die dag maar om half vijf des namiddags aanzetten met onze rugzak.
Een uurtje. Langer kunnen we niet doorgaan. We hebben ons lesje al geleerd. Door dat lesje is er tijd genoeg om in het hoogste bos ter wereld op ons gemak ons tent op te zetten, en zelfs nog takken uit het hoogste bos ter wereld – sorry, maar het kan niet genoeg gezegd : Hét Hóógste – te sprokkelen voor het kampvuur. Vuurvrouw is in haar nopjes. Met een vleugje nostalgie denkt ze terug aan de overlevingen met de scoutsvriendinnetjes. Van de voorafgaande treks, en zelfs van alle treks die we ooit hebben gedaan, moet dit de mooiste plek zijn waar we ooit onze tent hebben opgezet. Vulkanen in overvloed. Te perfect vulkaan voor mogelijk die ene daar iets verder in Chilli. Besneeuwde toppen. De hoogste boom ter wereld. En daartussen een vlakte op 4200 meter hoogte. We gaan ondanks de mooie sterrenhemel, maar door de koude zelfs om half negen slapen nu. Hoe vroeger, hoe mooier de trek zeker?
‘s Morgens zijn onze banaantjes en m’n Camelbag bevroren. Het was een nacht van onder nul, en er is een ochtendvuurtje bovenop de zon nodig om ons de moed te verschaffen. Soit. Het hout is droog en in een mummeke zijn we er klaar voor. De camino is inderdaad goed aangeduid, en afgenomen van de hoogte is de trek een ‘stukje cake’. Een heerlijk lekker smeuïg stukje cake wel. Bolivië is prachtig, maar deze streek slaat alles. Ik hoop dat de foto’s dit meer kunnen duidelijk maken dan nog meer gelul nu. (Simon, verdoeme, als ik dat had geweten, we hadden er dit nog moeten bijpakken...)
We trekken de obligate springfoto op een hoogte die de top van de Mont Blanc nog maar eens overtreft, beseffen dat dit een heerlijk gevoel is, en keren terug naar de toeristische trekpleister van de streek. De warmwaterbronnen. Natuurlijke warme zwemputten waarin het heerlijk vertoeven is en waaraan Rut, een vriendin uit La Paz ons even ongelovig zit aan te kijken. We kijken al met een even ongelofelijke blik terug en sluiten de trek af zoals het moet : met een gezellig onderonsje.
Ruth en haar kompanen kunnen ons een lift geven in de achterbak van hun pickup. Een prachtige tocht van drie uur – onder het verwonderde oog van de truckchaufeurs die we voorbijsteken – brengt ons vroeger dan verwacht terug in Oruro. We hebben vandaag op de feestdag hard gewerkt, en doen dat morgen op nog een feestdag opnieuw. Toegegeven: omdat we dan deze vrijdag met een onschuldig gevoel voor een verjaardagstrek richting de laagte plek waar we in Bolivië ooit zijn geweest, kunnen aanvangen. Het Parque Nacional Amboró, op 300 meter hoogte,  waarvan de Lonely Planet garandeert dat we er beren, puma’s en meer dan 800 verschillende soorten vogels zullen zien.

Verslag volgt.

Un abrazo, un beso y hasta pronto! (Of toch tot binnen ‘hace tiempo’...)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten