CH’ALLA / CARNAVAL / CH’ALLA
Onze thuisstad is opnieuw tot rust gekomen. De laatste trommels zijn uit de straten en de kleurrijke kostuums werden naar de droogkuis gebracht. De blikjes Paceña zijn naar ’t schroot en de geur van urine teistert niet langer onze zintuigen. ’t Was me een Feest. Una Fiesta Total.
’t Begon nog vóór Kerst en Nieuw met onverwachte Fanfares, Korte Rokjes en Hoge Hakjes. Een écht startschot was er niet, de stad trad langzaam maar zeker uit haar voegen. De weken voor D-Day (zaterdag 18 februari) regende het Couchsurf-aanvragen. Of we geen vriendelijke toeristen konden te slapen leggen en “plaatselijke gewoontes wilden delen”. Nochtans stond het klaar en duidelijk op onze profielpagina: niet beschikbaar tijdens Carnaval. We hadden immers Hoog Bezoek van Don Simón (de broer van Mathias) en zijn vriend Hermano Estéfano. Zij zagen Oruro in volle actie en zullen – tenzij ze op een (goede oude) dag terugkeren – de stad nooit in haar normale doen leren kennen…
De vrijdag was het Ch’alla in Chuzekery en op CEPA. Naar goede gewoonte komen alle Bolivianos de dag voor Carnaval samen op hun werk om elkaar een goed jaar te wensen (lees: we draaien de volle tien meter serpentines rond elkaars nek terwijl we “Qué sea buena hora” scanderen). Onze kantoortjes veranderden in lokaaltjes waar een heus verjaardagsfeestje aan de gang leek te zijn; ballonnen, slingers, kransen, suikerbolletjes, ... De Catapistas (Mathias, Hanne en Evelyne) verzorgden het tienuurtje en de “salad-bar”. Het vlees en de patatten werden aan de collega’s overgelaten. Ondanks het veelvuldige aandringen van Doña Fernanda durfden Don Simón en Hermano Estéfano zich maar niet op de dansvloer te wagen en hielden de jongens zich zo goed en zo kwaad als het kon op de achtergrond. Maar de Morenada (Mathias’ favoriete Carnavalsdeuntje) wist Simons danskriebels dan toch nog plots hevig aan te steken... A bailar Morenos! Iedereen was in volle vorm, Don Clemente opende onze pintjes op miraculeuze wijze en Monica zette Simon op zijn plaats met de woorden: “Gij last van HOOGTE-ziekte? Kom, dansen zult ge doen!”. We kijken al uit naar het uit de doeken doen van menig anekdotes op een volgend familiefeest bij de Monbaliu’s… Want zo was er ook nog dat andere Boliviaantje die de twee broers zag staan, zich tot Mathias wendde en zich luidop afvroeg “Vos comiste todo?” (“Hebde gij al ’t eten opgegeten?”). En zeggen dat die Bolivianen echt niet zó groot zijn, gemiddeld genomen zeker een kop kleiner dan onzen Don Simón…
Maar dat er niet alleen met Simon zal gelachen worden, zoveel is duidelijk. Want zaterdagavond verscheen el Jovencito Matías samen met zijn Cholita Evelyne op het Carnaval van Oruro (na Río hét allergrootste ter wereld!)... In traditionele klederdracht – witte bolhoedjes, ponchos van ossenbloed en geitenwollen sokken in abarcas (rubbersandalen) – brachten ze hun beste danspasjes ten tonele. Matías had hier wel enige alcohol, een sigaret of tien en een gezonde portie coca-bladeren voor nodig. De zenuwen speelden hem parten maar voor ’t oog van de camera liet hij zijn Cholita Evelyne gezwind verscheidene rondjes draaien. “A bailar Chocos!” riep het publiek in koor, en terwijl Mathias zich door onze vijf verschillende Kanthus Sartañani passen worstelde, ging Hanne bij de Tinkus tot het uiterste waar ze zich met gemak een twintig-tal dodelijke danssprongen eigen had gemaakt.
De dinsdag na Carnaval was het tijd voor een tweede Ch’alla, deze keer niet op ’t werk maar bij de Bolivianos thuis. De drie jongens waren ondertussen naar Isla del Sol, waardoor ik alleen met Hanne bij Tío Edgard en Tía Kristina – de nonkel en tante van ons Boliviaanse vriendin Gaby – uitgenodigd werden voor de parilla (barbecue). We gingen te voet aangezien alle mini’s thuis aan het vieren waren. Zelfs de bussen naar La Paz en andere grootsteden bleven braaf in de terminal. ’t Werd een gezellige middag met extreem veel vlees en té zoete Boliviaanse wijntjes. Tío Edgard (Professor Metallurgie aan de UTO) was een interessant en enthousiast figuur en ging volledig op in de Ch’alla van zijn huis; elk hoekje werd geweid d.m.v. een geutje pure alcohol, de 56 hoekjes van de trap incluis. De familie gaat een voorspoedig jaar tegemoet, dat kan den Edgard u verzekeren!
DEATH ROAD
Genoeg gefeest, tijd om nog eens serieus op reis te gaan...
Mathias was ondertussen terug in Oruro opgedoken terwijl Don Simón en Hermano Estéfano in het Parque Nacional Madidi alligators en ander ongedierte te lijf gingen. Exact een week na Carnaval kwamen we met z’n vieren terug samen in La Paz voor dé toeristische attractie aldaar: The World’s Most Dangerous Road. Uit de 1001 agentschappen kozen we Barracuda Biking – naar eigen zeggen The Best of the Rest – overtuigd door de hippe T-shirt (Ridiculously Awesome) en de CD met foto’s en filmpjes die ze ons na afloop zouden overhandigen. Een mini met daarin twee gidsen en zes chocos – vier Belgen, een Hollandse en een Noorse – bracht ons met mountainbike en toebehoren naar La Cumbre (De Top) op 4800 m hoogte. Dit alles onder muzikale begeleiding van Rock Band Queen: “BICYCLE BICYCLE BICYCLE / I WANT TO RIDE MY BICYCLE / I WANT TO RIDE MY BIKE / I WANT TO RIDE MY BICYCLE / I WANT TO RIDE IT WHERE I LIKE / …”. Op de top werden onze schijfremmen aan een korte test onderworpen. Deze moesten ons immers over een afstand van 64 km en een hoogteverschil van 3500 m uit de ravijn houden. De eerste 30 km waren puro asfalto waardoor lichtgewicht Don Simón al gauw achterop raakte en de stevige Hollandse (haar Barracuda jekker ritste maar net dicht) ons aan topsnelheid voorbij vloog...
Daarna kwam echter de échte Death Road en stak ‘Mountainbike Wijf’ Evelyne de Hollandse opnieuw voorbij. Ze schaarde zich achter de gids en de jongens maar moest afhaken wanneer het competitieve in de mannen naar boven kwam op een stevig stuk vals plat… We gingen danig snel en waren danig geconcentreerd dat we de kruisjes en gedenktekens langs het kronkelend pad amper opmerkten. Stenen zo groot als babyhoofdjes werden immers best vermeden en daarvoor was nogal wat concentratie vereist… Op de smalste stukken waren we Top Gear mascotte Jeremy in zijn schamele rode Jeep indachtig en prezen we onszelf gelukkig omdat onze tweewielers moeiteloos dezelfde passages doorstonden. Voor Mathias was het ‘dodelijkste’ wellicht de aankomst in Yolosa. Gelegen op 1200 m hoogte in de vochtige valleien van de Yungas was dit een paradijs voor alles wat vliegen én prikken kan. El pobre Matías stond al gauw vol beten, tot bloedens toe. En toch was ’t heerlijk om op slechts enkele uurtjes tijd van de kille Cordillera Real (Andes) in de luie hitte van de subtropische Yungas te belanden.
TOUR de UYUNI
Van La Paz ging ’t vervolgens hobbel de bobbel zuidwaarts naar Uyuni. Een mens zou denken dat ‘t over de wijdse Altiplano een aangename rit werd, maar de onverharde wegen hadden de vele regen niet volledig doorstaan... De eerste uren gaf ik Klaas Vaak nog een kans maar tijdens de laatste waande ik mij bovenop een op hol geslagen drilboor en zat ik klaarwakker – de zon was ondertussen opgekomen – op een eerste glimp van de Salar de Uyuni te wachten. Mijn geduld werd nog even op de proef gesteld want om ‘s werelds grootste zoutvlakte te zien en te betreden, kruip je best in één van de tientallen 4 x 4 ’s die bijna door evenveel agentschappen op twee-, drie- of vierdaagse tours uitgestuurd worden. Wij reserveerden op voorhand een tour van (uiteraard) vier dagen en vertrokken – na een dispuut over een reeds betaald voorschot (Sluwe Mario uit Sucre wou er met een kwart maandloon van door) – met ons gevieren en multi-man Plácido Domingo per jeep richting Colchani. Plácido was niet alleen onze chauffeur, hij was ook onze kok, fotograaf, grapjesmaker én gids. ’t Was nen-crème-van-nen-vent en hij liet ons Sluwe Mario dan ook vlug vergeten. De Salar op dag één was zoals te verwachten Increíble. Reizen in het regenseizoen mag dan net dat tikkeltje trickier zijn (de Salar komt volledig onder water te staan waardoor uw kansen op een bezoek aan Isla Pescador en op de volledige oversteek van een 100-tal km serieus verkleinen), het spiegeleffect die deze overstroming teweeg brengt, is gewoonweg lichtjes magisch. Of met de woorden van een enthousiaste Boliviaan; “Liiiiiiiiiiiindo está!”. Al blijft een bezoek aan dit pareltje van een Pachamama weggelegd voor de portemonnee van menig chocos…
Op dag twee waren er een tiental lagunas aan de beurt. Van flamenco naar flamenco. Laguna Colorada met haar duizenden flamingo’s spande ongetwijfeld de kroon, alhoewel Laguna Verde zonder flamingos ons zeker evenveel wist te bekoren. Het was aan deze laatste lagune dat ‘t in de nacht van dag twee op dag drie zou gaan gebeuren... Om 02h27 stond onze wekker en drie minuten later kregen we ons ontbijt bij kaarslicht geserveerd. Plácido deed er alles aan opdat we sterk zouden staan voor el Volcán Licancabur. De avond ervoor hadden de zenuwen nog voor een algemene slappe lach boven onze voorzichtige porties spaghetti gezorgd. Maar om 04h00 op een hoogte van 4600 m aan de voet van de vulkaan was het pure ernst. Plácido liet ons voor de komende tien uren over aan gids Serafín en drukte ons op het hart voorzichtig te zijn en zeker niet aan te dringen wanneer Serafín zou beslissen rechtsomkeer te maken. De eerste twee uur liepen vijf ‘Petzl-hoofden’ zwijgzaam – zuurstof sparend – achtereen op een rijtje zich af te vragen waar ze in godsnaam aan begonnen waren en of ze die verdomde top wel zouden halen. Aangezien de vulkaan de dag ervoor volledig door wolken omringd was geweest, had geen van ons enig idee hoe hoog hij eigenlijk was en of er nu veel of weinig sneeuw te trotseren viel. We wisten wel dat 5960 m geen peanuts zou zijn, maar probeerden de gedachte aan ademnood en barstende koppijn te verdringen. Serafín zette het perfecte tempo in en hield de pauzes op een minimum waardoor we op een hoogte van meer dan 5000 m een onwerkelijke zonsopgang mochten aanschouwen. Rond een uur of zeven bereikten we de eerste sneeuw op een hoogte van 5300 m. De top leek toen al niet meer zó veraf maar de vulkaanflanken werden steeds steiler en de weinige zuurstof waar we ’t moesten mee stellen, maakte het ons zeker niet gemakkelijk. Serafín had ons daags voordien op ’t hart gedrukt dat onze bottines geschikt waren voor stijgijzers, maar toen de sneeuw ijziger werd, was er van grampones geen spoor te bekennen. Hij werkte zich echter in ’t zweet door met zijn eenvoudige bergschoentjes in de steeds harder wordende sneeuw te hakken en zo voor ons het pad te “effenen”. Zo kwam het dat we tegen half tien met z’n vieren de voorlaatste “top” op een hoogte van 5750 m bereikten en dat Serafín besloot “tot hier en niet verder”. Jammer voor Don Matías die zich als een echte berggeit (excuseer bergbok) profileerde, maar beter voor Don Simón die bijna aan een kotsje toe was… Hermano Estéfano en Hermana Evelyne waren wellicht voor de volgende 45 minuten tot de echte top te overtuigen, maar of dat wijselijk had geweest, is een andere vraag. De afdaling was immers ook niet om te lachen en deed de groep even opschrikken toen Bergwijf Evelyne plots over de sneeuw begon te schuiven. Serafín was echter vliegensvlug (en er was daar gelukkig ook net die grote steen) waardoor ze snel en veilig terug op ’t juiste spoor werd gezet. Tegen twaalf uur zaten we opnieuw in Plácido’s jeep en verlangden allen naar een middagdutje, Serafín inlcuis. Enkel Bergbok Matías was niet te stoppen, had als enige van ons vier niets van hoofdpijn, en zag een plons in de nabijgelegen aguas thermales alweer volledig zitten. Al bij al brachten we ’t er allemaal verbazend goed vanaf, en zaten we diezelfde avond opnieuw bij kaarslicht van een Boliviaans wijntje te nippen. De vlokkenpuree was héérlijk!
kHeb niet altijd tijd om jullie verslagen te lezen. Maar áls ik het doe, dan heb ik dankzij jullie leuke verhalen niet veel moeite om eventjes weg te dromen. Dank u! En veel plezier nog!
BeantwoordenVerwijderen